BijbelNumeri

Numeri 24

Lees Numeri 24 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Bileam laat zijn huichelarij varen en profeteert de voorspoed van Israel, vers 1, enz. Balak verlaat hem in toorn, 10. maar eerst profeteert Bileam over de ster die uit Jakob zou voortkomen, en over de ondergang van sommige volken, 14. Daarna scheiden Bileam en Balak van elkaar, 25.

1Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen van JAHWEH, dat hij Israël zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, zoals meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn.

2Als Bileam zijn ogen ophief, en Israël zag, gelegerd naar zijn stammen, zo was de Geest van God op hem.

3En hij hief zijn spreuk op, en zei: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en de man, wie de ogen geopend zijn, spreekt!

4De hoorder van de redenen Gods spreekt, die het visioen van de Almachtigen ziet; die verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden!

5Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël!

6Zoals de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; JAHWEH heeft ze geplant, als de aloë's, als de cederbomen aan het water.

7Er zal water uit zijn emmers vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden.

8God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten.

9Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich neergelegd, zoals een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt!

10Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bileam, en hij sloeg zijn handen samen; en Balak zei tot Bileam: Ik heb u geroepen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, u hebt hen nu drie keer steeds gezegend!

11En nu, pak u weg naar uw plaats! Ik had gezegd, dat ik u hoog vereren zou; maar zie, JAHWEH heeft u die eer van u geweerd!

12Toen zei Bileam tot Balak: Heb ik ook niet tot uw boden, die u tot mij gezonden hebt, gesproken, zeggende:

13Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel van JAHWEH niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat JAHWEH spreken zal, dat zal ik spreken.

14En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen.

15Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en die man, wie de ogen geopend zijn, spreekt!

16De hoorder van de redenen Gods spreekt, en die de wetenschap van de Allerhoogste weet; die het visioen van de Almachtigen ziet, die verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden.

17Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de grenzen van de Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.

18En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seïr zal zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; maar Israël zal kracht doen.

19En er zal één uit Jakob heersen, en hij zal de overigen uit de steden ombrengen.

20Toen hij de Amalekieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Amalek is de eersteling van de heidenen; maar zijn uiterste is ten verderve!

21Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Uw woning is vast, en u hebt uw nest in een steenrots gelegd.

22Evenwel zal Kaïn verteerd worden, totdat u Assur als gevangene wegvoeren zal!

23Verder hief hij zijn spreuk op, en zei: Och, wie zal leven, als God dit doen zal!

24En de schepen van de oever van de Chitteers, die zullen Assur onderdrukken, zij zullen ook Heber onderdrukken; en hij zal ook ten verderve zijn.

25Toen stond Bileam op, en ging heen, en keerde weer tot zijn plaats. Balak ging ook zijn weg.