Numeri 26
Lees Numeri 26 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Telling van de Israelieten van twintig jaar en ouder, geschikt voor de oorlog, vers 1, enz. afzonderlijk van elke stam, behalve de stam Levi, 5. in het algemeen van alle getelden samen, 51. aan wie het land Kanaan door het lot verdeeld moest worden, naar verhouding van de grootte of kleinheid van de stammen, 52. Telling van alleen de Levieten, 57. Maar bij de telling van de Levieten was er niemand van hen die in de woestijn Sinai na hun uittocht uit Egypte geteld waren, behalve Jozua en Kaleb, 65.
1Het gebeurde nu na die plaag, dat JAHWEH sprak tot Mozes, en tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zeggende:
2Neem het aantal van de hele gemeenschap van de Israëlieten op, van twintig jaar oud en daarboven, naar het huis van hun vaders, al wie ten strijde in Israël uittrekt.
3Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
4Dat men opneme van twintig jaar oud en daarboven; zoals JAHWEH Mozes geboden had, en de Israëlieten, die uit Egypteland vertrokken waren.
5Ruben was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welke was het geslacht van de Hanochieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten;
6Van Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Karmi het geslacht van de Karmieten.
7Dit zijn de geslachten van de Rubenieten; en hun ingeschrevenen waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.
8En de zonen van Pallu waren Eliab.
9En de zonen van Eliab waren Nemuël, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen van de vergadering, die ruzie maakten met Mozes en tegen Aäron, in de vergadering van Korach, als zij zich tegen JAHWEH verzetten.
10En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken.
11Maar de kinderen van Korach stierven niet.
12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuël, het geslacht van de Nemuëlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jachin het geslacht van de Jachinieten;
13Van Zerah het geslacht van de Zerahieten; van Saul het geslacht van de Saulieten.
14Dat zijn de geslachten van de Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.
15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht van de Zefonieten; van Haggi het geslacht van de Haggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten.
16Van Ozni het geslacht van de Oznieten; van Heri het geslacht van de Herieten;
17Van Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten.
18Dat zijn de geslachten van de zonen van Gad, naar hun ingeschrevenen: veertig duizend en vijfhonderd.
19De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaän.
20Zo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht van de Selanieten; van Perez het geslacht van de Perezieten; van Zerah het geslacht van de Zerahieten.
21En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Hamul het geslacht van de Hamulieten.
22Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun ingeschrevenen: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.
23De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht van de Tolaieten; van Puva het geslacht van de Punieten;
24Van Jasub het geslacht van de Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten.
25Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun ingeschrevenen: vier en zestig duizend en driehonderd.
26De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht van de Seredieten; van Elon het geslacht van de Elonieten; van Jahleel het geslacht van de Jahleelieten.
27Dat zijn de geslachten van de Zebulonieten, naar hun ingeschrevenen: zestig duizend en vijfhonderd.
28De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.
29De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht van de Machirieten; Machir nu verwekte Gilead; van Gilead was het geslacht van de Gileadieten.
30Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Helek het geslacht van de Helekieten.
31En van Asriël het geslacht van de Asriëlieten; en van Sechem het geslacht van de Sechemieten;
32En van Semida het geslacht van de Semidaieten; en van Hefer het geslacht van de Heferieten.
33Maar Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen van de dochters van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
34Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun ingeschrevenen waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
35Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht van de Sutelahieten; van Becher het geslacht van de Becherieten; van Tahan het geslacht van de Tahanieten.
36En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht van de Eranieten.
37Dat zijn de geslachten van de zonen van Efraïm, naar hun ingeschrevenen: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht van de Belaieten; van Asbel het geslacht van de Asbelieten; van Ahiram het geslacht van de Ahiramieten;
39Van Sefufam het geslacht van de Sufamieten; van Hufam het geslacht van de Hufamieten.
40En de zonen van Bela waren Ard en Naäman; van Ard het geslacht van de Ardieten; van Naäman het geslacht van de Naämieten.
41Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun ingeschrevenen waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.
42Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht van de Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.
43Al de geslachten van de Suhamieten, naar hun ingeschrevenen, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.
44De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht van de Imnaieten; van Isvi het geslacht van de Isvieten; van Beria het geslacht van de Beriieten.
45Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht van de Heberieten; van Malchiël het geslacht van de Malchiëlieten.
46En de naam van de dochter van Aser was Serah.
47Dat zijn de geslachten van de zonen van Aser, naar hun ingeschrevenen: drie en vijftig duizend en vierhonderd.
48De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht van de Jahzeelieten; van Guni het geslacht van de Gunieten;
49Van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Sillem het geslacht van de Sillemieten.
50Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun ingeschrevenen waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.
51Dat zijn de ingeschrevenen van de zonen van Israël: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.
52En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:
53Aan deze zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal van de namen.
54Aan degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis groter maken, en aan hen, die weinig zijn, zult u hun erfenis kleiner maken; aan ieder zal, naar zijn ingeschrevenen, zijn erfenis gegeven worden.
55Het land toch zal door het lot gedeeld worden; naar de namen van de stammen van hun vaders zullen zij erven.
56Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen.
57Dit zijn nu de ingeschrevenen van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kohath het geslacht van de Kohathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten.
58Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Hebronieten, het geslacht van de Machlieten, het geslacht van de Muzieten, het geslacht van de Korachieten. En Kohath verwekte Amram.
59En de naam van de huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, die de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zus.
60En aan Aäron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
61Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht van JAHWEH.
62En hun ingeschrevenen waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want deze werden niet geteld onder de Israëlieten, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de Israëlieten.
63Dat zijn de ingeschrevenen van Mozes en Eleazar, de priester, die de Israëlieten telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.
64En onder deze was niemand van hen die geteld waren door Mozes en Aäron, de priester, als zij de Israëlieten telden in de woestijn van Sinaï.
65Want JAHWEH had van die gezegd, dat zij in de woestijn zeker zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.