BijbelNumeri

Numeri 3

Lees Numeri 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Het geslachtsregister van de priesters, vers 1, enz. aan wie de Levieten worden toegevoegd in de bediening van de tabernakel, 5. Deze drie geslachten worden geteld, met aanwijzing zowel van de plaatsen van hun woningen bij de tabernakel als van hun ambten, 14. De eerstgeborenen van de Israelieten, in wier plaats de Levieten komen, worden naar het bevel van God geteld, 40. En omdat hun aantal groter is dan dat van de Levieten, worden de overigen gelost, 44. En het geld dat daarvan komt wordt aan Aaron en zijn zonen gegeven, 51.

1Dit nu zijn de afstammelingen van Aäron en Mozes; op de dag als JAHWEH met Mozes gesproken heeft op de berg Sinaï.

2En dit zijn de namen van de zonen van Aäron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar.

3Dit zijn de namen van de zonen van Aäron, van de priesters, die gezalfd waren, van wie de hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen.

4Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht van JAHWEH, als zij vreemd vuur voor het aangezicht van JAHWEH in de woestijn van Sinaï brachten, en hadden geen kinderen, maar Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aäron.

5En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

6Doe de stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen;

7En dat zij waarnemen zijn taak, en de taak van de hele gemeenschap, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van de tabernakel te bedienen;

8En dat zij al het gereedschap van de tent van de samenkomst, en de taak van de Israëlieten waarnemen, om de dienst van de tabernakel te bedienen.

9U zult dan, aan Aäron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de Israëlieten.

10Maar Aäron en zijn zonen zult u stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.

11En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

12En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de Israëlieten genomen, in plaats van alle eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de Israëlieten; en de Levieten zullen Mijne zijn.

13Want alle eerstgeborene is van Mij; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben JAHWEH!

14En JAHWEH sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, zeggende:

15Tel de zonen van Levi naar het huis van hun vaders, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult u tellen.

16En Mozes telde hen naar het bevel van JAHWEH, zoals hem geboden was.

17Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.

18En dit zijn de namen van de zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simeï.

19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziël.

20En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten van de Levieten, naar het huis van hun vaders.

21Van Gerson was het geslacht van de Libnieten, en het geslacht van de Simeïeten; dit zijn de geslachten van de Gersonieten.

22Hun ingeschrevenen in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun ingeschrevenen waren zeven duizend en vijfhonderd.

23De geslachten van de Gersonieten zullen zich legeren achter de tabernakel, naar het westen.

24De overste nu van het vaderlijke huis van de Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael.

25En de taak van de zonen van Gerson in de tent van de samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent van de samenkomst;

26En de behangselen van de voorhof, en het deksel van de deur van de voorhof, die bij de tabernakel en bij het altaar rondom zijn; en ook de touwen, tot zijn gehele dienst.

27En van Kahath is het geslacht van de Amramieten, en het geslacht van de Izharieten, en het geslacht van de Hebronieten, en het geslacht van de Uzziëlieten; dit zijn de geslachten van de Kohathieten.

28In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de taak van het heiligdom.

29De geslachten van de zonen van Kohath zullen zich legeren aan de zijde van de tabernakel, naar het zuiden.

30De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van de Kohathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziël.

31Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap van het heiligdom, waarmee zij dienst doen, en het deksel, en al wat tot zijn dienst behoort.

32De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de taak van het heiligdom waarnemen.

33Van Merari is het geslacht van de Mahelieten, en het geslacht van de Musieten; dit zijn de geslachten van Merari.

34En hun ingeschrevenen in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.

35De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van Merari zal zijn Zuriël, de zoon van Abihaïl; zij zullen zich legeren aan de zijde van de tabernakel, naar het noorden.

36En het opzicht van de wachten van de zonen van Merari zal zijn over de planken van de tabernakel, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voetstukken, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort;

37En de pilaren van de voorhof rondom, en hun voetstukken, en hun pennen, en hun touwen.

38Die nu zich legeren zullen voor de tabernakel naar het oosten, voor de tent van de samenkomst, tegen de opgang, zullen zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, waarnemende de taak van het heiligdom, voor de taak van de Israëlieten; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.

39Alle ingeschrevenen van de Levieten, die Mozes en Aäron, op het bevel van JAHWEH, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.

40En JAHWEH zei tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de Israëlieten, van een maand oud en daarboven; en neem het getal van hun namen op.

41En u zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben JAHWEH!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en de beesten van de Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten van de Israëlieten.

42Mozes dan telde, zoals JAHWEH hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de Israëlieten.

43En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal van de namen, van een maand oud en daarboven, naar hun ingeschrevenen, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.

44En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

45Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de Israëlieten, en de beesten van de Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen van Mij zijn; Ik ben JAHWEH!

46Voor wat betreft de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden, die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de Israëlieten;

47U zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar de sikkel van het heiligdom zult u ze nemen; die sikkel is twintig gera.

48En u zult dat geld aan Aäron en zijn zonen geven, het geld van de gelosten die onder hen overschieten.

49Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten.

50Van de eerstgeborenen van de Israëlieten nam hij dat geld, duizend driehonderd vijf en zestig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom.

51En Mozes gaf dat geld van de gelosten aan Aäron en aan zijn zonen, naar het bevel van JAHWEH, zoals JAHWEH Mozes geboden had.