Numeri 30
Lees Numeri 30 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Wetten over de geloften gedaan door een man, die verklaren dat ze gehouden moesten worden, vers 1, 2, enz. of door een dochter van het huisgezin, wanneer ze gehouden moesten worden, 3. of niet, 5. of door een getrouwde vrouw, wanneer ze gehouden moesten worden, 6. of niet, 8. of door een weduwe of verstoten of verlaten vrouw, dat die geldig moesten zijn, 9. opnieuw over een getrouwde vrouw, 10. Besluit van het hoofdstuk, 16.
1En Mozes sprak tot de hoofden van de stammen van de Israëlieten, zeggende: Dit is de zaak, die JAHWEH geboden heeft:
2Wanneer een man JAHWEH een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen.
3Maar als een vrouw JAHWEH een gelofte zal beloofd hebben, en zich met een verbintenis in het huis van haar vader in haar jeugd zal verbonden hebben;
4En haar vader haar gelofte, en haar verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal horen, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen al haar geloften bestaan, en alle verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan.
5Maar als haar vader dat zal breken, op de dag als hij het hoort, al haar geloften, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar JAHWEH zal het haar vergeven; want haar vader heeft ze haar doen breken.
6Maar als zij immers een man heeft, en haar geloften op haar zijn, of de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft;
7En haar man dat zal horen, en op de dag als hij het hoort, tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen haar geloften bestaan, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen bestaan.
8Maar als haar man op de dag als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, en ook de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zo zal JAHWEH haar vergeven.
9Voor wat betreft de gelofte van een weduwe, of van een verstotene: alles, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal over haar bestaan.
10Maar als zij in het huis van haar man gelofte gedaan heeft, of met een eed door verbintenis haar ziel verbonden heeft;
11En haar man dat gehoord, en tegen haar stil zal gezwegen hebben, dat niet brekende; zo zullen al haar geloften bestaan, en ook alle verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan.
12Maar als haar man die dingen geheel te niet maakt, op de dag als hij het hoort, niets van al wat uit haar lippen gegaan is, van haar gelofte, en van de verbintenis van haar ziel, zal bestaan; haar man heeft ze te niet gemaakt, en JAHWEH zal het haar vergeven.
13Alle gelofte, en alle eed van de verbintenis, om de ziel te verootmoedigen, die zal haar man bevestigen, of die zal haar man te niet maken.
14Maar zo haar man tegen haar van dag tot dag geheel stilzwijgt, zo bevestigt hij al haar geloften, of al haar verbintenissen, die op haar zijn; hij heeft ze bevestigd, omdat hij tegen haar stilgezwegen heeft, op de dag als hij het hoorde.
15Maar zo hij ze geheel te niet maken zal, nadat hij het gehoord zal hebben, zo zal hij haar ongerechtigheid dragen.
16Dat zijn de voorschriften, die JAHWEH Mozes geboden heeft, tussen een man en zijn huisvrouw, tussen een vader en zijn dochter, zijnde in haar jeugd, in het huis van haar vader.