Bijbel › Numeri

Numeri 31

Lees Numeri 31 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De Israelieten wordt geboden oorlog te voeren tegen de Midianieten, vers 1, enz. met een leger van twaalfduizend mannen en Pinehas, de zoon van Eleazar, 4. die de Midianieten overwinnen, 7. terugkeren naar de hunnen, met de gevangenen en de buit, 12. door Mozes ontvangen worden met berisping over wat zij verkeerd gedaan hadden, 14. en met bevel over wat zij moesten doen, 17. Wet over het verdelen van de buit, 25. met de uitvoering van de wet en de som van de buit, 31. en het deel van de HEERE dat de priesters en Levieten toekwam, 41. De oversten van het leger brengen de HEERE een offer, 48. dat in de tabernakel ter gedachtenis bewaard wordt, 54.

1En YHWH sprak tot Mozes, zeggende:

2Neem de wraak van de Israëlieten van de Midianieten; daarna zult u verzameld worden tot uw volken.

3Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak van YHWH te doen aan de Midianieten.

4Van elke stam onder alle stammen van Israël zult u een duizend ten strijde zenden.

5Zo werden geleverd uit de duizenden van Israël, duizend van elke stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.

6En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elke stam, hen en Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester, ten strijde, met de heilige voorwerpen, en de trompetten van het geklank in zijn hand.

7En zij streden tegen de Midianieten, zoals YHWH Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was.

8Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen van de Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen van de Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, de zoon van Beor.

9Maar de Israëlieten namen de vrouwen van de Midianieten, en hun kinderen gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen.

10Verder al hun steden met hun woonplaatsen, en al hun burchten verbrandden zij met vuur.

11En zij namen al de roof, en al de buit, van mensen en van beesten.

12Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de gemeenschap van de Israëlieten, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de Jordaan van Jericho.

13Maar Mozes en Eleazar, de priester, en alle oversten van de vergadering, gingen uit hen tegemoet, tot buiten voor het leger.

14En Mozes werd enorm vertoornd tegen de bevelhebbers van het leger, de bevelhebbers van de duizenden, en de bevelhebbers van de honderden, die uit de strijd van die oorlog kwamen.

15En Mozes zei tot hen: Hebt u dan alle vrouwen laten leven?

16Zie, deze waren, door de raad van Bileam, de Israëlieten, om oorzake van de overtreding tegen YHWH te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering van YHWH.

17Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderen; en doodt alle vrouw, die door bijligging van de man een man bekend heeft.

18Maar al de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging van de man niet bekend hebben, laat voor u leven.

19En u, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen, u en uw gevangenen.

20Ook zult u alle kleding, en alle gereedschap van vellen, en alle werk van geitenhaar, en gereedschap van hout, ontzondigen.

21En Eleazar, de priester, zei tot de soldaten, die tot die strijd getogen waren: Dit is de inzetting van de wet, die YHWH Mozes geboden heeft.

22Alleen het goud en het zilver, en het koper, het ijzer, het tin en het lood;

23Alle ding, dat het vuur lijdt, zult u door het vuur laten doorgaan, dat het rein wordt; evenwel zal het door het water van de afzondering ontzondigd worden; maar al wat het vuur niet lijdt, zult u door het water laten doorgaan.

24U zult ook uw kleren op de zevende dag wassen, dat u rein wordt; en daarna zult u in het leger komen.

25Verder sprak YHWH tot Mozes, zeggende:

26Neem het aantal op van de buit van de gevangenen van mensen en van beesten; u en Eleazar, de priester, en de familiehoofden van de vergadering.

27En deel de buit in twee helften tussen degenen, die de strijd aangegrepen hebben, die tot de strijd uitgegaan zijn, en tussen de hele gemeenschap.

28Daarna zult u een schatting voor YHWH heffen, van de oorlogsmannen, die tot deze strijd uitgetogen zijn, van vijfhonderd één ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezels, en uit de schapen.

29Van hun helft zult u het nemen, en de priester Eleazar geven tot een hefoffer van YHWH.

30Maar van de helft van de Israëlieten zult u één gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezels, en uit de schapen, uit al de beesten; en u zult ze aan de Levieten geven, die de taak van de tabernakel van YHWH waarnemen.

31En Mozes en Eleazar, de priester, deden, zoals YHWH Mozes geboden had.

32De buit nu, het overschot van de roof, dat de soldaten geroofd hadden, was zeshonderd vijf en zeventig duizend schapen;

33En twee en zeventig duizend runderen;

34En één en zestig duizend ezels;

35En de zielen van de mensen, uit de vrouwen, die geen bijligging van de man bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend.

36En de helft, te weten het deel van degenen, die tot deze strijd uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.

37En de schatting voor YHWH van schapen was zeshonderd vijf en zeventig.

38En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor YHWH twee en zeventig.

39En de ezels waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor YHWH was één en zestig.

40En de zielen van de mensen waren zestien duizend, en hun schatting voor YHWH twee en dertig zielen.

41En Mozes gaf Eleazar, de priester, de schatting van het hefoffer van YHWH, zoals YHWH Mozes geboden had.

42En van de helft van de Israëlieten, die Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden;

43(Het halve deel nu van de vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;

44En de runderen waren zes en dertig duizend;

45En de ezels dertig duizend en vijfhonderd;

46En de zielen van de mensen zestien duizend;)

47Van die helft van de Israëlieten nam Mozes één gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de taak van de tabernakel van YHWH waarnamen, zoals YHWH Mozes geboden had.

48Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden van het leger waren, de bevelhebbers van de duizenden, en de bevelhebbers van de honderden;

49En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen het aantal van de soldaten, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet één man.

50Daarom hebben wij een offergave van YHWH gebracht, een ieder wat hij gekregen heeft, een gouden voorwerp, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangende gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht van YHWH.

51Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, van hen het goud, alle kunstig gemaakte voorwerpen.

52En al het goud van het hefoffer, dat zij YHWH offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig sikkels, van de bevelhebbers van de duizenden, en van de bevelhebbers van de honderden.

53Voor wat betreft de soldaten, ieder had geroofd voor zichzelf.

54Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud van de bevelhebbers van de duizenden en van de honderden, en zij brachten het in de tent van de samenkomst, ter herinnering voor de Israëlieten, voor het aangezicht van YHWH.