BijbelNumeri

Numeri 35

Lees Numeri 35 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Het aantal steden die de kinderen van Israel aan de Levieten, met weidegronden, moesten geven, vers 1, enz. waaronder zes vrijsteden zouden zijn voor hen die onverwacht of onbewust een doodslag deden, 6. wetten over doodslag, 16. Verbod om losgeld te nemen tot vrijspraak van een schuldige doodslager, of om hen die zich wettig in vrijsteden ophielden voor de vastgestelde tijd naar hun woonplaatsen te laten terugkeren, 31.

1En JAHWEH sprak tot Mozes, in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

2Gebied de Israëlieten, dat zij van de erfenis van hun bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult u aan de Levieten voorsteden geven, aan de steden daaromheen.

3En die steden zullen zij hebben om te bewonen; maar hun voorsteden zullen zijn voor hun beesten, en voor hun bezittingen, en voor al hun gedierte,

4En de voorsteden van de steden, die u aan de Levieten zult geven, zullen van de stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom.

5En u zult meten van buiten de stad, aan de hoek tegen het oosten, twee duizend ellen, en aan de hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan de hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan de hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden.

6De steden nu, die u aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die u geven zult, opdat de moordenaar daarheen vlucht; en daarboven zult u hun twee en veertig steden geven.

7Al de steden, die u aan de Levieten geven zult, zullen zijn acht en veertig steden, deze met haar voorsteden.

8De steden, die u van de bezitting van de Israëlieten geven zult, zult u van die, die vele heeft, vele nemen, en van die, die weinig heeft, weinig nemen; een ieder zal naar zijn erfenis, die zij zullen erven, van zijn steden aan de Levieten geven.

9Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

10Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u over de Jordaan gaat naar het land Kanaän.

11Zo zult u maken, dat u steden tegemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de moordenaar daarheen vlucht, die een ziel onwetend geslagen heeft.

12En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor de bloedwreker; opdat de moordenaar niet sterve, voordat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe.

13En deze steden, die u geven zult, zullen zes vrijsteden voor u zijn.

14Drie van deze vrijsteden zult u geven op deze zijde van de Jordaan, en drie van deze steden zult u geven in het land Kanaän; vrijsteden zullen het zijn.

15Die zes steden zullen voor de Israëlieten, en voor de vreemdeling, en de bijwoner in het midden van hen, tot een toevlucht zijn; opdat daarheen vlucht, wie een ziel zonder opzet slaat.

16Maar als hij hem met een ijzeren instrument geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zeker gedood worden.

17Of als hij hem met een handsteen, waarvan men zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zeker gedood worden.

18Of als hij hem met een houten handinstrument, waarvan men zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zeker gedood worden.

19De wreker van het bloed, die zal de moordenaar doden; als hij hem ontmoet, zal hij hem doden.

20Als hij hem ook door haat zal gestoten hebben, of met opzet op hem geworpen heeft, dat hij gestorven zij;

21Of hem door vijandschap met zijn hand geslagen heeft, dat hij gestorven zij; degene die geslagen heeft, zal zeker gedood worden, een moordenaar is hij; de bloedwreker zal deze moordenaar doden, als hij hem ontmoet.

22Maar als hij hem in haast zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft;

23Of zonder opzet met enige steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij die op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende;

24Zo zal de vergadering richten tussen degene die geslagen heeft, en tussen de bloedwreker, naar deze zelfde bepalingen.

25En de vergadering zal de moordenaar redden uit de hand van de bloedwreker, en de vergadering zal hem doen terugkeren tot zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was; en hij zal daarin blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.

26Maar als de moordenaar enigszins zal gaan uit de grenzen van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was,

27En de bloedwreker hem zal vinden buiten de grenzen van zijn vrijstad; zo de bloedwreker de moordenaar zal doden, het zal hem geen bloedschuld zijn.

28Want hij zou in zijn vrijstad gebleven zijn tot de dood van de hogepriester; maar na de dood van de hogepriester zal de moordenaar terugkeren tot het land van zijn bezitting.

29En deze dingen zullen u zijn tot een inzetting van recht, bij uw generaties, in al uw woningen.

30Al wie de ziel slaat, naar de mond van de getuigen zal men de moordenaar doden, maar één enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve.

31En u zult geen verzoening nemen voor de ziel van de moordenaar, die schuldig is te sterven; want hij zal zeker gedood worden.

32Ook zult u geen verzoening nemen voor die, die gevlucht is naar zijn vrijstad, dat hij zou terugkeren, om te wonen in het land, tot de dood van de hogepriester.

33Zo zult u niet ontheiligen het land, waarin u bent; want het bloed ontheiligt het land; en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed, dat daarin vergoten is, dan door het bloed van degene, die dat vergoten heeft.

34Verontreinig dan het land niet, waarin u gaat wonen, in het midden waarvan Ik wonen zal; want Ik ben JAHWEH, wonende in het midden van de Israëlieten.