BijbelNumeri

Numeri 5

Lees Numeri 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Een gebod van God om alle onreine mensen uit het leger te verwijderen, vers 1, enz. dat wordt nageleefd, 4. Wetten over het teruggeven van de dingen die men iemand ontvreemd had, 5. over de geheiligde dingen, dat die de priesters toekwamen, 9. over de jaloersheid van een man over de eerbaarheid van zijn vrouw, en de ceremonien die hierbij onderhouden moesten worden, 11. Met verklaring daarvan, 27. Het besluit van deze wet, 29.

1En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

2Gebied de Israëlieten, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode.

3Van de man tot de vrouw toe zult u hen wegzenden; tot buiten het leger zult u hen wegzenden; opdat zij niet verontreinigen hun legers, in het midden waarvan Ik woon.

4En de Israëlieten deden zo, en zonden hen tot buiten het leger; zoals JAHWEH tot Mozes gesproken had, zo deden de Israëlieten.

5Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

6Spreek tot de Israëlieten: Wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen JAHWEH, zo is die ziel schuldig.

7En zij zullen hun zonde, die zij gedaan hebben, belijden; daarna zal hij zijn schuld weer uitkeren, naar de hoofdsom daarvan, en het vijfde deel daarvan zal hij daarboven toedoen, en zal het die geven, aan wie hij zich verschuldigd heeft.

8Maar zo die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weer uit te keren, zal die schuld, die JAHWEH weer uitgekeerd wordt, van de priester zijn; naast de ram van de verzoening, met welke hij voor hem verzoening doen zal.

9Evenzo zal alle hefoffer van alle geheiligde dingen van de Israëlieten, die zij tot de priester brengen, zijne zijn.

10En een ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand de priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn.

11Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

12Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijn huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben;

13Dat een man bij haar door bijligging van het zaad zal gelegen hebben, en het voor de ogen van haar man zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde toch onrein geworden; en geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is;

14En de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, omdat zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is;

15Dan zal die man zijn huisvrouw tot de priester brengen, en zal haar offergave voor haar medebrengen, een tiende deel van een efa gerstemeel; hij zal geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, omdat het een voedseloffer van de ijveringen is, een voedseloffer van de herinnering, dat de ongerechtigheid in herinnering brengt.

16En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen voor het aangezicht van JAHWEH.

17En de priester zal heilig water in een aarden pot nemen; en van het stof, dat op de vloer van de tabernakel is, zal de priester nemen, en in het water doen.

18Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht van JAHWEH stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het voedseloffer van de herinnering op haar handen leggen, dat het voedseloffer van de ijveringen is; en in de hand van de priester zal dat bitter water zijn, dat de vloek medebrengt.

19En de priester zal haar beëdigen, en zal tot die vrouw zeggen: Als iemand bij u gelegen heeft, en als u, onder uw man zijnde, niet afgeweken bent tot onreinheid, wees vrij van dit bitter water, dat de vloek medebrengt!

20Maar zo u, onder uw man zijnde, afgeweken bent, en zo u onrein geworden bent, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uw man:

21(Dan zal de priester die vrouw met de eed van de vervloeking beëdigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) JAHWEH zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden van uw volk, mits dat JAHWEH uw heup vervallende, en uw buik zwellende make;

22Dat ditzelve water, dat de vervloeking medebrengt, in uw binnenste inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!

23Daarna zal de priester deze zelfde vloeken op een cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter water uitdoen.

24En hij zal die vrouw dat bitter water, dat de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, dat de vervloeking medebrengt, in haar tot bitterheden inga.

25En de priester zal uit de hand van die vrouw het voedseloffer van de ijveringen nemen, en hij zal dat voedseloffer voor het aangezicht van JAHWEH bewegen, en zal dat op het altaar offeren.

26De priester zal ook van dat voedseloffer, het gedenkoffer daarvan, een handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven.

27Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal gebeuren, als zij onrein geworden is, en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, dat vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn.

28Maar als de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zo zal zij vrij zijn, en zal met zaad bezadigd worden.

29Dit is de wet van de ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn;

30Of als over een man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezicht van JAHWEH stelle, en de priester aan haar deze hele wet volbrenge.

31En de man zal van de ongerechtigheid onschuldig zijn; maar die vrouw zal haar ongerechtigheid dragen.