Numeri 6
Lees Numeri 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Wetten over de gelofte van het nazireeerschap, vers 1, enz. over de reinheid die daarin gevraagd wordt, 3. over de wijze waarop een nazireeer die verontreinigd was, verzoend moest worden, 9. over de ceremonien die men gebruiken moest wanneer de gelofte volbracht was, 13. en over de formule van de zegening die de priesters moesten volgen bij het zegenen van de gemeente, 22.
1En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte van een Nazireër, om zich voor JAHWEH af te zonderen;
3Van wijn en sterke drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en azijn van sterke drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.
4Al de dagen van zijn Nazireërschap zal hij niet eten van iets, dat van de wijnstok van de wijn gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe.
5Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich voor JAHWEH zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar van zijn hoofd groeien.
6Al de dagen, die hij zich voor JAHWEH zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam van een dode niet gaan.
7Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broer of om zijn zus, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het Nazireërschap van zijn God is op zijn hoofd.
8Al de dagen van zijn Nazireërschap is hij JAHWEH heilig.
9En zo de gestorvene bij hem zonder opzet haastig gestorven was, dat hij het hoofd van zijn Nazireërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd scheren; op de zevende dag zal hij het scheren.
10En op de achtste dag zal hij twee tortelduiven, of twee jonge duiven brengen tot de priester, tot de deur van de tent van de samenkomst.
11De priester nu zal één bereiden als zondoffer, en één als brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft; zo zal hij zijn hoofd op die dag heiligen.
12Daarna zal hij de dagen van zijn Nazireërschap voor JAHWEH afzonderen, en zal een lam, dat eenjarig is, brengen als schuldoffer; en de vorige dagen zullen vallen, omdat zijn Nazireërschap verontreinigd was.
13En dit is de wet van de Nazireër: op de dag, als de dagen van zijn Nazireërschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent van de samenkomst.
14Hij dan zal tot zijn offergave aan JAHWEH offeren één volkomen eenjarig lam als brandoffer, en één volkomen eenjarig ooilam als zondoffer, en één volkomen ram als dankoffer.
15En een mand ongezuurde koeken, koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken, met olie bestreken, en ook hun voedseloffer, en hun drankoffers;
16En de priester zal het voor het aangezicht van JAHWEH brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden.
17Hij zal ook de ram als dankoffer voor JAHWEH bereiden, met de mand van de ongezuurde koeken; en de priester zal zijn voedseloffer en zijn drankoffer bereiden.
18Dan zal de Nazireër, aan de deur van de tent van de samenkomst, het hoofd van zijn Nazireërschap scheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn Nazireërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is.
19Daarna zal de priester een gekookte schouder nemen van de ram, en één ongezuurde koek uit de mand, en één ongezuurde platte koek; en hij zal ze op de handen van de Nazireër leggen, nadat hij zijn Nazireërschap afgeschoren heeft.
20En de priester zal die bewegen als beweegoffer, voor het aangezicht van JAHWEH; het is een heilig ding voor de priester, met de borst van het beweegoffer, en met de schouder van het hefoffer; en daarna zal die Nazireër wijn drinken.
21Dit is de wet van de Nazireër, die zijn offergave aan JAHWEH voor zijn Nazireërschap zal beloofd hebben, afgezien van wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, die hij beloofd zal hebben, zo zal hij doen, naar de wet van zijn Nazireërschap.
22En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:
23Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Zo zult u de Israëlieten zegenen, zeggende tot hen:
24JAHWEH zegene u, en behoede u!
25JAHWEH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!
26JAHWEH verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!
27Zo zullen zij Mijn Naam op de Israëlieten leggen; en Ik zal hen zegenen.