Openbaring
Nieuwe Testament · 22 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
Dit boek, dat opgesteld is op de manier van een brief aan de gemeenten, is het laatste boek van het Nieuwe Testament en als het ware een bezegeling daarvan. Het is door de apostel Johannes geschreven, volgens het getuigenis van de oude schrijvers, ongeveer vierenzestig jaar na de hemelvaart van Christus, aan het einde van de regering van keizer Domitianus, door wie ook Johannes, na vele vervolgingen van de christenen, naar het eiland Patmos verbannen is geweest, waar deze Openbaring hem ten deel viel, tot troost en waarschuwing van de christelijke gemeente, zoals hij zelf in hoofdstuk 1:9 getuigt. En hoewel enkele oude leraren menen dat Johannes zijn Evangelie op verzoek van de kerken van Azië nog na zijn bevrijding van Patmos zou hebben geschreven, is het toch geloofwaardiger, uit vers 2 van hoofdstuk 1 en op andere gronden, dat deze Openbaring het laatst door hem geschreven is. Johannes heeft het, gezien de zaken die erin behandeld worden, en na hem de christelijke kerk, goed gevonden het hele Nieuwe Testament met dit boek af te sluiten, zoals ook de scherpe vermaningen aan het einde van dit boek om hier niets aan toe te voegen of af te doen (hoofdstuk 22 vers 18, 19) met zich meebrengen. Hoewel dit geschrift, als een profetisch geschrift dat over toekomstige zaken spreekt, veel plaatsen heeft die moeilijk te begrijpen zijn, is het toch vol goddelijke leringen, die dienen tot weerlegging van veel ketterijen die toen al in omloop gebracht waren, en het strekt er in het bijzonder toe de gemeente van Christus te onderrichten welke moeilijkheden haar van de duivel en zijn werktuigen, en vooral van de antichrist en zijn dienaren, na die tijd zouden overkomen; en welke zware straffen de vijanden van de gemeente van tijd tot tijd, en in het bijzonder in het laatste oordeel, te verwachten hadden; en tevens welke wonderbare verlossingen God zijn gemeente eveneens van tijd tot tijd zou bewijzen; en in het bijzonder de goede afloop en de overwinning over allen, en de onuitsprekelijke heerlijkheid en gelukzaligheid die zij na de komst van Christus ten oordeel, in het hemelse Jeruzalem, in eeuwigheid zouden genieten. Dit boek kan goed in drie delen verdeeld worden. Het eerste is een voorrede, vervat in de eerste 8 verzen van hoofdstuk 1. Het tweede is een verslag van de profetische visioenen en een voorzegging van de dingen die van die tijd af de gemeente van Christus tot het einde van de wereld zouden overkomen, lopend tot vers 6 van het laatste hoofdstuk. Vandaar wordt verder tot het einde van het boek de bezegeling en de afsluiting van het boek, en ook van het hele Nieuwe Testament, verhaald. Wat nu de voorzeggingen betreft, die beginnen bij vers 9 van hoofdstuk 1 en eindigen met vers 6 van hoofdstuk 22: die worden in verschillende afdelingen en profetische visioenen voorgesteld, waarvan enkele soortgelijke ook bij de profeten van het Oude Testament voorkomen, zoals bij Jesaja, Ezechiël, Daniël, Zacharia en anderen, zoals in de aantekeningen aangewezen zal worden. Aangezien het God behaagd heeft de dingen die toekomstig zijn soms wel met duidelijke woorden, maar soms ook met duistere afbeeldingen en visioenen voor te stellen, zowel om onze ijver in het onderzoeken ervan des te meer op te wekken als om de grootheid en het gewicht ervan des te beter aan te wijzen, zo doet hij dat hier ook in het bijzonder door Johannes, omdat in deze profetie veel dingen voorkomen betreffende de rampen en veranderingen van het Romeinse Rijk, die aanleiding hadden kunnen geven om de christenen des te zwaarder te vervolgen. Daarom gebruikt ook Paulus in 2 Thessalonicenzen hoofdstuk 2, waar hij over dezelfde zaak handelt, enkele bedekte manieren van spreken. De visioenen nu die in deze voorzeggingen voorkomen, zijn er in het bijzonder zeven. Het eerste visioen, dat begint bij vers 9 van hoofdstuk 1 en duurt tot het einde van hoofdstuk 3, beeldt ons Christus af in zijn koninklijke en priesterlijke staat, wandelend tussen de zeven kandelaren, ofwel gemeenten; en ook de geboden die hij geeft om aan de zeven gemeenten van Azië te schrijven, waar Johannes het meest verkeerd had, met de brieven zelf aan die gemeenten. Het tweede visioen is een visioen van Gods heerlijkheid, gezeten op zijn troon, en van het Lam dat bij de troon staat, omringd door vierentwintig oudsten en door vier dieren, met het boek dat met zeven zegels verzegeld is, en de wonderen die na het openen van elk zegel in de wereld gebeurd zijn; dit visioen duurt tot het einde van hoofdstuk 7. Het derde visioen is de verschijning van de zeven engelen met hun bazuinen, die de een na de ander volgen, en dit duurt tot het einde van hoofdstuk 11. Het vierde visioen is het visioen van de vrouw die in barensnood is en door de draak vervolgd wordt tot in de woestijn, en van de twee beesten die de heiligen vervolgen, maar die weerstaan worden door het Lam dat op de berg Sion staat met zijn gezelschap van honderdvierenveertigduizend dat hem volgt; dit is vervat in hoofdstuk 12, 13 en 14. Het vijfde visioen is het visioen van de zeven schalen, en van de plagen die uit die schalen worden uitgegoten over de troon van het beest, beschreven in hoofdstuk 15 en 16. Daarop volgt in het zesde visioen de afbeelding van de grote hoer van Babel, gezeten op het beest met zeven koppen, dat is op de stad met zeven bergen, en van het zware oordeel van God over haar en over het beest, en ook het triomflied van de hemelse scharen, die met Christus, hun hoofd, verbonden zijn, over haar oordeel; dit is vervat in hoofdstuk 17, 18 en 19. Het zevende visioen stelt de binding van de satan voor duizend jaar voor, met zijn loslating voor een korte tijd, en de voleinding van alle dingen die daarop volgt, door het laatste oordeel van God over de duivel, de dood en alle goddelozen, en door de neerdaling van het hemelse Jeruzalem als een heerlijke en eeuwige woonplaats voor alle uitverkorenen; dit is vervat in hoofdstuk 20, 21 en in het eerste deel van hoofdstuk 22.