BijbelOpenbaring

Openbaring 17

Lees Openbaring 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Een van de eerder genoemde zeven engelen brengt de apostel in een woestijn en toont hem de grote hoer van Babylon, zittend op een rood beest dat zeven koppen en tien horens heeft. 4 Haar kleding, versiering, titels en bloeddorstigheid wordt beschreven. 7 De engel verklaart aan Johannes eerst het geheim van het beest. 9 Daarna van zijn zeven koppen en van de achtste koning die zou volgen. 12 en van de tien horens, die evenzoveel koningen zijn, die hun macht met het beest ontvangen. 14 die met het Lam strijden, maar door het Lam overwonnen worden. 15 De engel verklaart welke de wateren zijn waarop deze hoer zit. 16 en hoe de koningen haar macht aan het beest weer zullen ontnemen. 18 Ten slotte verklaart hij wie deze hoer is.

1En één uit de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, en zei tot mij: Kom hier, ik zal u tonen het oordeel van de grote hoer, die daar zit op vele wateren;

2Met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn haar hoererij.

3En hij bracht mij weg in een woestijn, in de geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen van de godslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen.

4En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en parels, en had in haar hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelijke dingen, en van onreinheid haar hoererij.

5En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Geheim; het grote Babylon, de moeder van de hoererijen en van de gruwelijke dingen van de aarde.

6En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen, en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering.

7En de engel zei tot mij: Waarom verwondert u zich? Ik zal u zeggen het geheim van de vrouw en van het beest, dat haar draagt, dat de zeven hoofden heeft en de tien hoornen.

8Het beest, dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.

9Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.

10En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de één is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een korte tijd blijven.

11En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve.

12En de tien hoornen, die u gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op één uur met het beest.

13Deze hebben dezelfde mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven.

14Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heere van de heren, en een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen.

15En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en menigten, en natiën, en tongen.

16En de tien hoornen, die u gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden.

17Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij dezelfde mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden van God voltooid zullen zijn.

18En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde.