Openbaring 2
Lees Openbaring 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Christus beveelt Johannes te schrijven, en allereerst aan de engel van de gemeente te Efeze: 2 die hij prijst om zijn zorgvuldigheid in het weren van de kwaden en om verscheidene andere deugden. 4 Maar bestraft hem dat hij zijn eerste ijver en liefde had verlaten. 7 Maar belooft de overwinnaars van de boom des levens te geven. 8 Ten tweede aan die van Smyrna, die hij ook prijst om vele deugden. 10 Maar waarschuwt voor de verdrukking die over hen zal komen, met belofte van de kroon des levens aan de overwinnaars. 12 Ten derde aan die van Pergamus, die hij prijst om zijn standvastigheid in de verdrukkingen, maar berispt om zijn slapheid jegens hen die de leer van Bileam en van de Nikolaïeten volgden. 17 Maar belooft de overwinnaars het verborgen manna met een witte keursteen. 18 Ten vierde aan die van Thyatira, die hij prijst om zijn toenemen in het goede, 20 maar bestraft dat hij de vrouw Izebel liet profeteren. 22 Die hij dreigt met haar aanhangers en kin deren te straffen. 24 Waarschuwt daarna hen die deze diepten van de satan niet aanhingen, dat zij vasthouden aan wat zij hebben. 26 En belooft de overwinnaar dat hij hem macht over de heidenen zal geven en de morgenster.
1Schrijf aan de engel van de Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt:
2Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw volharding, en dat u de kwaden niet kunt dragen; en dat u beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden;
3En u hebt verdragen, en hebt geduld; en u hebt omwille van Mijn Naam gewerkt, en bent niet moe geworden.
4Maar ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.
5Gedenk dan, waarvan u uitgevallen bent, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastig bijkomen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, als u zich niet bekeert.
6Maar dit hebt u, dat u de werken van de Nikolaïeten haat, die Ik ook haat.
7Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom van het leven, die in het midden van het paradijs van God is.
8En schrijf aan de engel van de Gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is, en weer levend is geworden:
9Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (maar u bent rijk), en de lastering van degenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge van de satan.
10Vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Zie, de duivel zal enige van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon van het leven.
11Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, zal van de tweede dood niet beschadigd worden.
12En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in Pergamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft:
13Ik weet uw werken, en waar u woont; namelijk daar de troon van de satan is, en u houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, waarin Antipas, Mijn getrouwe getuige was, die gedood is bij u, daar de satan woont.
14Maar Ik heb enige weinig dingen tegen u, dat u daar hebt, die de onderwijzing van Balaäm houden, die Balak leerde de Israëlieten een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en ontucht plegen.
15Zo hebt ook u, die de onderwijzing van de Nikolaïeten houden; dat Ik haat.
16Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastig bij komen, en zal tegen hen strijd voeren met het zwaard van Mijn mond.
17Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent, dan die hem ontvangt.
18En schrijf aan de engel van de Gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam van vuur, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk:
19Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw volharding, en uw werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste.
20Maar Ik heb enige weinig dingen tegen u, dat u de vrouw Izebel, die zichzelf zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienaren verleiden, dat zij ontucht plegen en afgodenoffer eten.
21En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd.
22Zie, Ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken.
23En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven ieder naar uw werken.
24"Maar ik zeg tot u en tot de anderen te Tyatira, allen die deze leer niet hebben, en die de diepten van de satan, zoals zij zeggen, niet hebben leren kennen: ik zal u geen andere last opleggen."
25Maar wat u hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen.
26En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen;
27En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; zoals ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.
28En Ik zal hem de morgenster geven.
29"Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt."