Prediker 10
Lees Prediker 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Salomo beveelt iedereen de wijsheid aan, en waarschuwt iedereen voor de dwaasheid, vers 1, enz. En hij vermaant hoe men zich bij de koning moet gedragen als hij vertoornd is, 4. hoewel het vaak gebeurt dat sluwe mensen door de koning verheven en vromen veracht worden, 5. Daarna spreekt hij over de onvoorzichtigheid van sommige mensen, 8. En hij leert opnieuw hoe voordelig de wijsheid en hoe schadelijk de dwaasheid is, 10, enz. Inzonderheid bij een vorst, 16, enz. die men niet moet vervloeken, 20.
1Een dode vlieg doet de zalf van de apotheker stinken en opwellen; zo een weinig dwaasheid een man, die kostelijk is van wijsheid en van eer.
2Het hart van de wijzen is tot zijn rechterhand, maar het hart van een zot is tot zijn linkerhand.
3En ook wanneer de dwaas op de weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot ieder, dat hij dwaas is.
4Als de geest van de heerser tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
5Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht van de oversten voortkomt.
6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.
7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.
8Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.
9Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.
10Als hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen; maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken.
11Als de slang gebeten heeft, voordat de bezwering gebeurd is, dan is er geen nut voor de allerwelsprekendste bezweerder.
12De woorden van een wijze mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelf.
13Het begin van de woorden van zijn mond is dwaasheid, en het einde van zijn mond is boze dolligheid.
14De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat gebeuren zal; en wat na hem gebeuren zal, wie zal het hem te kennen geven?
15De arbeid van de zotten maakt ieder van hen moe; omdat zij niet weten naar de stad te gaan.
16Wee u, land! waarvan de koning een kind is, en waarvan de vorsten 's morgens eten!
17Welgelukzalig bent u, land! waarvan de koning een zoon van de edelen is, en waarvan de vorsten op de juiste tijd eten, om zich te versterken en niet om zich te bedrinken.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid van de handen wordt het huis lek.
19Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles.
20Vloek de koning niet, zelfs in uw gedachten, en vloek de rijke niet in het binnenste van uw slaapkamer; want het gevogelte van de hemel zou de stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven.