BijbelPrediker

Prediker 2

Lees Prediker 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Salomo wijst met zijn eigen voorbeeld aan dat de ware gelukzaligheid niet bestaat in de dingen die het vlees aangenaam zijn, zoals statige bouwwerken, het planten van bomen, wijngaarden en tuinen, verzen 1, 2, enz. maar in het vredige en vrolijke genieten van de gaven die God de mens geeft, vers 24, enz.

1Ik zei in mijn hart: Nu, nu dan, ik zal u beproeven door vreugde; daarom zie het goede aan; maar zie, ook dat was zinloosheid.

2Tot het lachen zei ik: U bent onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze?

3Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vlees op te houden in de wijn, (toch leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat de kinderen van de mensen het best was, dat zij doen zouden onder de hemel, gedurende het getal van de dagen van hun leven.

4Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.

5Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte bomen daarin, van allerlei vrucht.

6Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmee te bewateren het woud, dat met bomen groende.

7Ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen van het huis; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen, die voor mij te Jeruzalem geweest waren.

8Ik verzamelde mij ook zilver en goud, en kleinoden van de koningen en van de gewesten; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden van de mensenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel.

9En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die voor mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijn wijsheid mij bij.

10En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik hun niet; ik weerhield mijn hart niet van enige blijdschap, maar mijn hart was verblijd vanwege al mijn arbeid; en dit was mijn deel van al mijn arbeid.

11Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot de arbeid, die ik werkende gewerkt had; zie, het was al zinloosheid en kwelling van de geest, en daarin was geen voordeel onder de zon.

12Daarna wendde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zou een mens, die de koning nakomen zal, doen wat al gedaan is?

13Toen zag ik, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, zoals het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis.

14De ogen van de wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat dezelfde geval hun allen bejegent.

15Daarom zei ik in mijn hart: Zoals het de dwaze bejegent, zal het ook mijzelf bejegenen; waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelfde zinloosheid was.

16Want er zal in eeuwigheid niet meer herinnering van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien wat nu is, in de toekomende dagen allemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met de zot?

17Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad, dat onder de zon gebeurt; want het is al zinloosheid en kwelling van de geest.

18Ik haatte ook al mijn arbeid, die ik bearbeid had onder de zon, dat ik die zou achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal.

19Want wie weet, of hij wijs zal zijn, of dwaas? Evenwel zal hij heersen over al mijn arbeid, die ik bearbeid heb en die ik wijs beleid heb onder de zon. Dat is ook zinloosheid.

20Daarom keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al de arbeid, die ik bearbeid heb onder de zon.

21Want er is een mens, wiens arbeid in wijsheid, en in wetenschap, en in geschiktheid is; toch zal hij die overgeven tot zijn deel, aan een mens, die daaraan niet gewerkt heeft. Dit is ook zinloosheid en een groot kwaad.

22Wat heeft toch die mens van al zijn arbeid, en van de kwellingen van zijn hart, die hij is bearbeidende onder de zon?

23Want al zijn dagen zijn smarten, en zijn bezigheid is verdriet; zelfs in de nacht rust zijn hart niet. Dat is ook zinloosheid.

24Is het dan niet goed voor de mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat dat van de hand van God is.

25(Want wie zou er van eten, of wie zou zich daartoe haasten, meer dan ik zelf?)

26Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde de mens, die goed is voor Zijn aangezicht; maar de zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te verzamelen, opdat Hij het geve die, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook zinloosheid en kwelling van de geest.