BijbelPrediker

Prediker 3

Lees Prediker 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De Prediker leert hier hoe alles in de wereld zijn tijd en verloop heeft, zoals God het verordineerd heeft, verzen 1, 2, enz. daaruit concluderend dat de mens niets beters kan doen dan in dit leven de gaven van God met vreugde te genieten, en goed te doen aan zijn naaste, 12. Daarna spreekt hij over de ongerechtigheid die men in het gericht ziet plegen, 16, enz. hij wijst ook aan dat de mensen evengoed moeten sterven als het vee, 18, 19. en ook dat zij uit de gemeenschappelijke staat van de stervenden niet kunnen begrijpen of hun ziel onsterfelijk is, 19, enz. besluitend vers 22 als boven.

1Alles heeft een bestemde tijd, en alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd.

2Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven; een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te rukken.

3Een tijd om te doden en een tijd om te genezen; een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen.

4Een tijd om te huilen, en een tijd om te lachen; een tijd om te kermen, en een tijd om op te springen;

5Een tijd om stenen weg te werpen, en een tijd om stenen te verzamelen; een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen;

6Een tijd om te zoeken, en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te werpen;

7Een tijd om te scheuren en een tijd om te naaien; een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken.

8Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten; een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

9Wat voordeel heeft hij, die werkt, van wat hij bearbeidt?

10Ik heb gezien de bezigheid, die God de kinderen van de mensen gegeven heeft, om zichzelf daarmee bezig te houden.

11Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe.

12Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor hen is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven.

13Ja ook, dat ieder mens ete en drinke, en het goede geniete van al zijn arbeid, Dit is een gave van God.

14Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in de eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht.

15Wat geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is al geweest; en God zoekt het weggedrevene;

16Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse van het gericht, daar was goddeloosheid; en ter plaatse van de gerechtigheid, daar was goddeloosheid.

17Ik zei in mijn hart: God zal de rechtvaardige en de goddeloze oordelen; want daar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.

18Ik zei in mijn hart van de gelegenheid van de mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelf.

19Want wat de kinderen van de mensen overkomt, dat overkomt ook de beesten; en dezelfde overkomt hun beiden; gelijk die sterft, zo sterft deze, en zij allen hebben dezelfde adem, en de uitnemendheid van de mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij zinloosheid.

20Zij gaan allen naar één plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weer tot het stof.

21Wie merkt, dat de adem van de kinderen van de mensen opvaart naar boven, en de adem van de beesten naar beneden vaart in de aarde?

22Daarom heb ik gezien, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde in zijn werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarheen brengen, dat hij ziet, wat na hem gebeuren zal?