BijbelPrediker

Prediker 4

Lees Prediker 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Salomo verhaalt in dit hoofdstuk hoe de armen door de machtigen van deze wereld onderdrukt worden, vers 1, enz. hoe de voortreffelijke mensen benijd worden, 4. De ongerijmdheid van de luiaards, 5. Dat sommigen de moed niet hebben hun arbeid te genieten, 6. Hij prijst boven dezen hen die zich met andere mensen verenigen, 7. hoe sommigen roemen op hun macht, maar dat wijsheid meer te achten is, 13. De gunst van de onderdanen tegenover hun overheid is onbestendig, 15.

1Daarna wendde ik mij, en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon gebeuren; en ziet, er waren de tranen van de verdrukten, en van degenen, die geen trooster hadden; en aan de zijde van hun verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster.

2Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn.

3Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon gebeurt.

4Verder zag ik al de arbeid en alle geschikkelijkheid van het werk, dat het de mens afgunst van zijn naaste aanbrengt. Dat is ook zinloosheid en kwelling van de geest.

5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.

6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling van de geest.

7Ik wendde mij opnieuw, en ik zag een zinloosheid onder de zon;

8Daar is er één, en geen tweede; hij heeft ook geen kind, noch broer; toch is van al zijn arbeid geen einde; ook wordt zijn oog niet verzadigd van de rijkdom, en zegt niet: Voor wie arbeide ik toch, en doe mijn ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook zinloosheid, en het is een moeilijke bezigheid.

9Twee zijn beter dan één; want zij hebben een goede beloning van hun arbeid;

10Want als zij vallen, de één richt zijn metgezel op; maar wee de ene, die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen.

11Ook, als twee samen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou één alleen warm worden?

12En als iemand de één mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken.

13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.

14Want één komt uit de gevangenis, om koning te zijn; daar ook één, die in zijn koninkrijk geboren is, verarmt.

15Ik zag al de levenden wandelen onder de zon, met de jongeman, de tweede, die in diens plaats staan zal.

16Er is geen einde van al het volk, van allen, die voor hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook over hem niet verblijden; zeker, dat is ook zinloosheid en kwelling van de geest.

17Bewaar uw voet, als u tot het huis van God ingaat, en wees liever nabij om te horen, dan om van de zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet, dat zij kwaad doen.