Prediker 5
Lees Prediker 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Salomo onderwijst de gemeente hoe zij zich moet gedragen in het beoefenen van de uiterlijke godsdienst, vers 1, enz. Daarna hoe men zich moet gedragen wanneer men ziet dat de regenten geen gerechtigheid beoefenen, 7. wat de beste broodwinning is, 8. de ijdelheid van de rijkdom en de hebzucht, 9. Verder leert hij dat de gelukzaligheid van de mens bestaat in het vrolijk genieten van de gaven van God, 17. wat te kunnen doen ook een gave van God is, 18.
1Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet één woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in de hemel, en u bent op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.
2Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, zo de stem van de zot door de veelheid van de woorden.
3Wanneer u een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet daaruit te betalen; want Hij heeft geen lust aan zotten; wat u zult beloofd hebben, betaal het.
4Het is beter, dat u niet belooft, dan dat u belooft en niet betaalt.
5Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht van de engel, dat het een dwaling was; waarom zou God enorm toornen, omwille van uw stem, en verderven het werk van uw handen?
6Want gelijk in de veelheid van de dromen zinloosheden zijn, zo in veel woorden; maar vrees u God!
7Als u de onderdrukking van de armen, en de beroving van het gericht en van de gerechtigheid ziet in een gewest, verwonder u niet over zulk een voornemen; want die hoger is dan de hoge, neemt er acht op; en daar zijn hogen boven hen.
8Het voordeel van de aarde is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
9Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet verzadigd; en wie de overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet verzadigd. Dit is ook zinloosheid.
10Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; wat nut hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht van hun ogen?
11De slaap van de arbeider is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zatheid van de rijken laat hem niet slapen.
12Er is een kwaad, dat ziekte aanbrengt, dat ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.
13Of de rijkdom zelf vergaat door een moeilijke bezigheid; en hij gewint een zoon, en er is niet met al in zijn hand.
14Zoals hij voortgekomen is uit zijn moeders buik, zo zal hij naakt terugkeren, gaande zoals hij gekomen was; en hij zal niet meenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.
15Daarom is dit ook een kwaad, dat ziekte aanbrengt; dat hij in alle manier, zoals hij gekomen is, zo heen gaat; en wat voordeel is het hem, dat hij in de wind gewerkt heeft?
16Dat hij ook al zijn dagen in duisternis gegeten heeft; en dat hij veel verdriet gehad heeft, ook zijn ziekte en hevige toorn?
17Zie, wat ik gezien heb, een goede zaak, die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal van de dagen van zijn leven, dat God hem geeft; want dat is zijn deel.
18Ook ieder mens, aan wie God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, dat is een gave van God.
19Want hij zal niet veel gedenken aan de dagen van zijn leven, omdat hem God verhoort in de blijdschap van zijn hart.