BijbelPrediker

Prediker 7

Lees Prediker 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De wijze man leert ons in dit hoofdstuk hoe wij ons onder zovele ijdele dingen die in de wereld zijn, zullen beijveren om een goede naam te hebben en te houden, vers 1. Dat wij onze sterfelijkheid vaak voor ogen moeten houden, 2. Daarna geeft hij enige goede lessen, hoe men zich moet laten onderrichten door wijze mannen, 5. tot geduld en bestendigheid, 7. en andere deugden, 8. lof van de wijsheid, 11. en van andere deugden, 14. lof van de middelmaat, 16. van de wijsheid, 19. Alle mensen zijn zondaars, 20. Dat men niet al te nauwkeurig alles moet onderzoeken, 21. Een kwade vrouw moet men mijden, 26. God heeft de mens goed geschapen, 29.

1Beter is een goede naam, dan goede olie, en de dag van de dood, dan de dag, dat iemand geboren wordt.

2Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis van de maaltijd; want in hetzelfde is het einde van alle mensen, en de levende legt het in zijn hart.

3Het treuren is beter dan het lachen; want door het verdriet van het aangezicht wordt het hart gebeterd.

4Het hart van de wijzen is in het klaaghuis; maar het hart van de zotten in het huis van de vreugde.

5Het is beter te horen het bestraffen van de wijzen, dan dat iemand hore het gezang van de dwazen.

6Want gelijk het geluid van de doornen onder een pot is, zo is het lachen van een zot. Dit is ook zinloosheid.

7Werkelijk, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.

8Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige.

9Wees niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in de boezem van de dwazen.

10Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want u zou naar dat niet uit wijsheid vragen.

11De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan.

12Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid van de wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.

13Beschouw het werk van God; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?

14Geniet het goede op de dag van de voorspoed, maar op de dag van de tegenspoed, zie toe; want God maakt ook de één tegenover de ander, omdat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn.

15Dit alles heb ik gezien in de dagen van mijn zinloosheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.

16Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelf al te wijs; waarom zou u verwoesting over u brengen?

17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zou u sterven buiten uw tijd?

18Het is goed, dat u daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, die ontgaat dat al.

19De wijsheid versterkt de wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.

20Werkelijk, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt.

21Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat u niet hoort, dat uw knecht u vloekt.

22Want uw hart heeft ook veelmalen bekend, dat u ook anderen gevloekt hebt.

23Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zei: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij.

24Wat verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?

25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid van de zotheid, en de dwaasheid van de onzinnigheden.

26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, van wie het hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.

27Zie, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het ene bij het andere, om de sluitrede te vinden;

28Die mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: één man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.

29Alleen zie, dit heb ik gevonden, dat God de mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben allerlei kwade plannen bedacht.