Prediker 8
Lees Prediker 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Een vermaning dat men de koning of de overheid alle behoorlijke gehoorzaamheid bewijst, vers 1, enz. Dat men zich niet te zeer bekommert om het aanstaande kwaad, 6. Daarna verhaalt hij nog enige andere ijdelheden van dit leven, namelijk hoe de onderdanen door de kwade overheden onderdrukt worden, 9. Dat veel mensen in zonden blijven steken, omdat zij niet meteen gestraft worden, 11. Maar de straf zullen zij niet ontgaan, 12. hoewel het vaak de vromen slecht en de bozen in deze wereld goed gaat, 14. daarop besluit hij dat het het beste is dat men in dit leven de gaven van God met vrolijkheid geniet, 15. en de onnodige en overbodige zorg van het leven loslaat, 16.
1Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging van de dingen? De wijsheid van de mensen verlicht zijn aangezicht, en de stuursheid van zijn aangezicht wordt daardoor veranderd.
2Ik zeg: Neem acht op het bevel van de koning, vanwege de eed aan God.
3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
4Waar het woord van de koning is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet u?
5Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads bemerken; en het hart van een wijze zal tijd en wijze weten.
6Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze, omdat het kwaad van de mensen veel is over hem.
7Want hij weet niet, wat er gebeuren zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het gebeuren zal?
8Er is geen mens, die heerschappij heeft over de geest, om de geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over de dag van de dood; ook geen geweer in deze strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen.
9Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon gebeurt: er is een tijd, dat de ene mens over de andere mens heerst, hem ten kwade.
10Zo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats van de Heilige gingen, die werden vergeten in die stad, waarin zij recht gedaan hadden. Dit is ook zinloosheid.
11Omdat niet haastig het oordeel over de boze daad gebeurt, daarom is het hart van de kinderen van de mensen in hen vol om kwaad te doen.
12Hoewel een zondaar honderd keer kwaad doet, en God hem de dagen verlengt; zo weet ik toch, dat het die zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.
13Maar de goddeloze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest.
14Er is nog een zinloosheid, die op aarde gebeurt: dat er zijn rechtvaardigen, die het overkomt naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen, die het overkomt naar het werk van de rechtvaardigen. Ik zeg, dat dit ook zinloosheid is.
15Daarom prees ik de blijdschap, omdat de mens niets beters heeft onder de zon, dan te eten, en te drinken, en blij te zijn; want dat zal hem aankleven van zijn arbeid, de dagen van zijn leven, die hem God geeft onder de zon.
16Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde gebeurt, dat men ook, overdag of in de nacht, de slaap niet ziet met zijne ogen;
17Toen zag ik al het werk van God, dat de mens niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon gebeurt, om dat een mens arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, als ook een wijze zei, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden.