Psalmen 102
Lees Psalmen 102 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De gemeente klaagt zeer vanwege haar zware ellende, biddend om verlossing daaruit, en verkwikt zich in Gods altijd durende barmhartigheid en in de eeuwige, oneindige macht van de HEERE, Die zij belooft daarvoor te zullen prijzen en danken. En onder de verlossing van de gevangenschap van Babel en de herbouw van de tempel en de stad wordt mede verstaan de verlossing door Christus en de roeping van de heidenen tot Zijn gemeenschap.
1Een gebed van de verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht van JAHWEH.
2O JAHWEH! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.
3Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij op de dag van mijn benauwdheid; op de dag als ik roep, verhoor mij haastig.
4Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.
5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.
6Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem van mijn gezucht.
7Ik ben een roerdomp van de woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil van de wildernissen.
8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.
9Mijn vijanden smaden mij al de dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.
10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.
11Vanwege Uw verstoordheid en Uw grote toorn; want U hebt mij verheven, en mij weer neergeworpen.
12Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.
13Maar U, JAHWEH! blijf in eeuwigheid, en Uw herinnering van geslacht tot geslacht.
14U zult opstaan, U zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.
15Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.
16Dan zullen de heidenen de Naam van JAHWEH vrezen, en alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid.
17Als JAHWEH Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,
18Zich gewend zal hebben tot het gebed van degene, die geheel berooid is, en niet versmaad hebben hun gebed;
19Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal JAHWEH loven;
20Omdat Hij uit de hoogte van Zijn heiligdom zal hebben naar beneden gezien; dat JAHWEH uit de hemel op de aarde geschouwd zal hebben;
21Om het zuchten van de gevangenen te horen, om los te maken de kinderen van de dood;
22Opdat men de Naam van JAHWEH vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;
23Wanneer de volken samen zullen verzameld worden, ook de koninkrijken, om JAHWEH te dienen.
24Hij heeft mijn kracht op de weg ter neer gedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.
25Ik zei: Mijn God! neem mij niet weg in het midden van mijn dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.
26U hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk van Uw handen;
27Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.
28Maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden.
29De kinderen van Uw knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.