BijbelPsalmen

Psalmen 104

Lees Psalmen 104 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De profeet, zichzelf opwekkend tot de lof van God, doet een treffend verhaal van Gods grote macht, hoogheid en wijsheid, blijkend zowel aan de schepping als aan de regering en de voortdurende onderhouding van alle dingen, belovend dat hij die zal roemen al zijn leven, en de ondankbaarheid van de goddelozen vervloekend.

1Loof JAHWEH, mijn ziel! O JAHWEH, mijn God! U bent zeer groot, U bent bekleed met majesteit en heerlijkheid.

2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn.

3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugels van de wind wandelt.

4Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaren tot een vlammend vuur.

5Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwig wankelen.

6U had ze met de afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

7Van Uw bestraffing vluchtten zij, zij haastten zich weg voor de stem van Uw donder.

8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die U voor hen gegrond had.

9U hebt een paal gesteld, die zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weer bedekken.

10Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten heen wandelen.

11Zij drenken al het gedierte van het veld; de woudezels breken er hun dorst mee.

12Daarbij woont het gevogelte van de hemel, een stem gevend van tussen de takken.

13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht van Uw werken.

14Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst van de mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

15En de wijn, die het hart van de mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mensen sterkt.

16De bomen van JAHWEH worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;

17Alwaar de vogeltjes nestelen; de dennenbomen zijn het huis van de ooievaar.

18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

19Hij heeft de maan gemaakt tot de vastgestelde tijden, de zon weet haar ondergang.

20U beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in die al het gedierte van de woud uittreedt:

21De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun voedsel van God te zoeken.

22De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neer in hun holen.

23De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot de avond toe.

24Hoe groot zijn Uw werken, o JAHWEH! U hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aarde is vol van Uw goederen.

25Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.

26Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, die U gevormd hebt, om daarin te spelen.

27Zij allen wachten op U, dat U hun hun voedsel geeft te zijner tijd.

28Geef U ze hun, zij verzamelen ze; doe U Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.

29Verberg U Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neem U hun adem weg, zij sterven, en zij keren weer tot hun stof.

30Zend U Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en U vernieuwt het gezicht van het aarde.

31De heerlijkheid van JAHWEH zij tot in de eeuwigheid; JAHWEH verblijde Zich in Zijn werken.

32Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.

33Ik zal JAHWEH zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.

34Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in JAHWEH verblijden.

35De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof JAHWEH, mijn ziel! Hallelujah!