BijbelPsalmen

Psalmen 118

Lees Psalmen 118 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De psalmist vermaant alle godzaligen de HEERE te loven, voor Zijn veelvuldige verlossingen en weldaden, en verhaalt daartoe hoe God hem verlost had uit de handen van zijn vijanden. Tevens is in deze psalm een profetie van de komst van de Heere Christus, Die wel de voornaamsten van het volk zouden verwerpen, maar de gelovigen zouden Hem aannemen.

1Loof JAHWEH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.

2Dat Israël nu zegt, dat Zijn goedertierenheid in de eeuwigheid is.

3Het huis van Aäron zegt nu, dat Zijn goedertierenheid in de eeuwigheid is.

4Dat degenen, die JAHWEH vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in de eeuwigheid is.

5Uit de benauwdheid heb ik JAHWEH aangeroepen; JAHWEH heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.

6JAHWEH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?

7JAHWEH is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.

8Het is beter tot JAHWEH toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen.

9Het is beter tot JAHWEH toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.

10Alle heidenen hadden mij omringd; het is in de Naam van JAHWEH, dat ik ze verhouwen heb.

11Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in de Naam van JAHWEH, dat ik ze verhouwen heb.

12Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in de Naam van JAHWEH, dat ik ze verhouwen heb.

13U had mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar JAHWEH heeft mij geholpen.

14JAHWEH is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.

15In de tenten van de rechtvaardigen is een stem van het gejuich en van het heil; de rechterhand van JAHWEH doet krachtige daden.

16De rechterhand van JAHWEH is verhoogd; de rechterhand van JAHWEH doet krachtige daden.

17Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken van JAHWEH vertellen.

18JAHWEH heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.

19Doe mij de poorten van de gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal JAHWEH loven.

20Dit is de poort van JAHWEH, door die de rechtvaardigen zullen ingaan.

21Ik zal U loven, omdat U mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest bent.

22De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden.

23Dit is van JAHWEH gebeurd, en het is wonderlijk in onze ogen.

24Dit is de dag, die JAHWEH gemaakt heeft; laat ons daarop ons verheugen, en verblijd zijn.

25Och JAHWEH! geef nu heil; och JAHWEH! geef nu voorspoed.

26Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van JAHWEH! Wij zegenen u uit het huis van JAHWEH.

27JAHWEH is God, Die ons licht gegeven heeft. Bind het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.

28U bent mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.

29Loof JAHWEH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid.