BijbelPsalmen

Psalmen 119

Lees Psalmen 119 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Deze psalm wordt verdeeld in tweeëntwintig delen of pauzen. In elk deel zijn acht versjes, en elk vers begint in het Hebreeuws met de letter waarmee het deel betiteld wordt, namelijk zo dat alle versjes van het eerste deel beginnen met Aleph, of A. De versjes van de tweede pauze beginnen alle met Beth, B, en zo voorts, volgens het Hebreeuwse A.B. (alfabet); om welke reden sommigen onder de geleerden deze psalm genoemd hebben: een A.B. van de godzaligheid. Elk vers van deze psalm bevat in zich òf een lof en prijs van Gods Woord, vanwege enige uitnemende hoedanigheid daarvan; òf een betuiging van Davids ongeveinsde liefde tot datzelve; òf anders een gebed om genade, om zich daarnaar te mogen schikken. Want tot een van deze drie, te weten lof, gebeden of betuiging, kunnen alle versjes van deze psalm gebracht worden. En merk dit op, dat in elk vers van deze psalm David melding maakt van Gods Wet, inzettingen, of verordeningen, bevelen, getuigenissen, geboden, woord, beloften, wegen, gerichten, naam, gerechtigheid, waarheid, of iets dergelijks; uitgezonderd alleen in het 122e vers, waarin hij God tot zijn hulp en bijstand aanroept. ALEPH.

1א Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet van JAHWEH gaan.

2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem met heel hun hart zoeken;

3Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.

4JAHWEH! U hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.

5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw voorschriften te bewaren!

6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.

7Ik zal U loven in oprechtheid van het hart, als ik de rechten van Uw gerechtigheid geleerd zal hebben.

8Ik zal Uw voorschriften bewaren; verlaat mij niet al te zeer.

9ב Beth. Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.

10Ik zoek U met mijn hele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.

11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.

12JAHWEH! U bent gezegend; leer mij Uw voorschriften.

13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten van Uw mond.

14Ik ben vrolijker in de weg van Uw getuigenissen, dan over alle rijkdom.

15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.

16Ik zal mijzelf vermaken in Uw voorschriften; Uw woord zal ik niet vergeten.

17ג Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.

18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.

19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.

20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen altijd.

21U bestraft de vervloekte hoogmoedigen, die van Uw geboden afdwalen.

22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.

23Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw voorschriften betracht.

24Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.

25ד Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.

26Ik heb U mijn wegen verteld, en U hebt mij verhoord; leer mij Uw voorschriften.

27Geef mij de weg van Uw bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.

28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.

29Wend van mij de weg van de valsheid, en verleen mij genadig Uw wet.

30Ik heb gekozen de weg van de waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.

31Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o JAHWEH! beschaam mij niet.

32Ik zal de weg van Uw geboden lopen, als U mijn hart verwijd zult hebben.

33ה He. JAHWEH! leer mij de weg Uw voorschriften, en ik zal hem houden ten einde toe.

34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met heel mijn hart.

35Doe mij treden op het pad van Uw geboden, want daarin heb ik lust.

36Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.

37Wend mijn ogen af, dat zij geen zinloosheid zien; maak mij levend door Uw wegen.

38Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, die Uw vrees toegedaan is.

39Wend mijn smaad af, die ik vrees, want Uw rechten zijn goed.

40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.

41ו Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o JAHWEH! Uw heil, naar Uw toezegging;

42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.

43En ruk het woord van de waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.

44Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwig en altijd.

45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.

46Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.

47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.

48En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw voorschriften betrachten.

49ז Zain. Gedenk van het woord, tot Uw knecht gesproken, op dat U mij hebt doen hopen.

50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.

51De hoogmoedigen hebben mij boven mate zeer bespot; toch ben ik van Uw wet niet geweken.

52Ik heb gedacht, o JAHWEH! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.

53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.

54Uw voorschriften zijn mij gezangen geweest, ter plaatse waar ik vreemdeling was.

55JAHWEH! in de nacht ben ik van Uw Naam gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.

56Dat is mij gebeurd, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.

57ח Cheth. JAHWEH is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.

58Ik heb Uw aangezicht ernstig gebeden met heel mijn hart, wees mij genadig naar Uw toezegging.

59Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.

60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.

61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; toch heb ik Uw wet niet vergeten.

62Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten van Uw gerechtigheid.

63Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.

64JAHWEH! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw voorschriften.

65ט Teth. U hebt bij Uw knecht goed gedaan, JAHWEH, naar Uw woord.

66Leer mij een goede zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.

67Voordat ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.

68U bent goed en goeddoende; leer mij Uw voorschriften.

69De hoogmoedigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; maar ik bewaar Uw bevelen met heel mijn hart.

70Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.

71Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw voorschriften leerde.

72De wet van Uw mond is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.

73י Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.

74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.

75Ik weet, JAHWEH! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat U mij uit getrouwheid verdrukt hebt.

76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.

77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.

78Laat de hoogmoedigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen neergestoten hebben; maar ik betracht Uw geboden.

79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.

80Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw voorschriften, opdat ik niet beschaamd word.

81כ Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.

82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zei: Wanneer zult U mij troosten?

83Want ik ben geworden als een leren zak in de rook; maar Uw voorschriften heb ik niet vergeten.

84Hoe vele zullen de dagen van Uw knecht zijn? Wanneer zult U recht doen over mijn vervolgers?

85De hoogmoedigen hebben mij putten gegraven, dat niet is naar Uw wet.

86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.

87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.

88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis van Uw mond onderhouden.

89ל Lamed. O JAHWEH! Uw woord bestaat in de eeuwigheid in de hemelen.

90Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; U hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;

91Naar Uw bepalingen blijven zij nog vandaag staan, want zij allen zijn Uw knechten.

92Als Uw wet niet was geweest al mijn vermaking, ik was in mijn druk al lang vergaan.

93Ik zal Uw bevelen in de eeuwigheid niet vergeten, want daardoor hebt U mij levend gemaakt.

94Ik ben van U, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.

95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.

96In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.

97מ Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de hele dag.

98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.

99Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.

100Ik ben voorzichtiger dan de ouderen, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.

101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.

102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want U hebt mij geleerd.

103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honing mijn mond!

104Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.

105נ Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten van Uw gerechtigheid.

107Ik ben geheel zeer verdrukt, JAHWEH! maak mij levend naar Uw woord.

108Laat U toch, o JAHWEH! welgevallen de vrijwillige offergaven van mijn mond, en leer mij Uw rechten.

109Mijn ziel is steeds in mijn hand; toch vergeet ik Uw wet niet.

110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; toch ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.

111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erfenis, want zij zijn voor mijn hart vrolijkheid.

112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw voorschriften eeuwig te doen, ten einde toe.

113ס Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.

114U bent mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.

115Wijk van mij, u boosdoeners! dat ik de geboden van mijn God mag bewaren.

116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.

117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw voorschriften vermaken.

118U vertreedt al degenen, die van Uw voorschriften afdwalen, want hun bedrog is leugen.

119U doet alle goddelozen van de aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.

120Het haar van mijn vlees is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.

121ע Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.

122Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken.

123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging van Uw rechtvaardigheid.

124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw voorschriften.

125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.

126Het is tijd voor JAHWEH, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.

127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.

128Daarom heb ik al Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.

129פ Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.

130De opening van Uw woorden geeft licht, de eenvoudigen verstandig makende.

131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.

132Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die van Uw Naam houden.

133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.

134Verlos mij van de mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.

135Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw voorschriften.

136Waterbeken stromen af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.

137צ Tsade. JAHWEH! U bent rechtvaardig, en elk van Uw oordelen is recht.

138U hebt de gerechtigheid van Uw getuigenissen, en de waarheid nadrukkelijk geboden.

139Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn tegenstanders Uw woorden vergeten hebben.

140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.

141Ik ben klein en veracht, maar Uw bevelen vergeet ik niet.

142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.

143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, maar Uw geboden zijn mijn vermakingen.

144De gerechtigheid van Uw getuigenissen is in de eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.

145ק Koph. Ik heb met heel mijn hart geroepen: verhoor mij, o JAHWEH! ik zal Uw voorschriften bewaren.

146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.

147Ik ben de morgenschemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.

148Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.

149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o JAHWEH! maak mij levend naar Uw recht.

150Die kwade praktijken najagen, naderen mij, zij wijken verre van Uw wet.

151Maar U, JAHWEH! bent nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.

152Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat U ze in eeuwigheid gegrond hebt.

153ר Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.

154Twist mijn rechtszaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.

155Het heil is ver van de goddelozen, want zij zoeken Uw voorschriften niet.

156JAHWEH! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.

157Mijn vervolgers en mijn tegenstanders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.

158Ik heb gezien degenen, die trouweloos handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.

159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o JAHWEH! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.

160Het begin van Uw woord is waarheid, en in de eeuwigheid is al het recht van Uw gerechtigheid.

161ש Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.

162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een grote buit vindt.

163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.

164Ik loof U zevenmaal overdag, over de rechten van Uw gerechtigheid.

165Die van Uw wet houden, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot.

166O JAHWEH! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.

167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.

168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.

169ת Thau. O JAHWEH! laat mijn geschrei voor Uw aangezicht naderen, maak mij verstandig naar Uw woord.

170Laat mijn smeken voor Uw aangezicht komen, red mij naar Uw toezegging.

171Mijn lippen zullen Uw lof overvloedig uitstorten, als U mij Uw voorschriften zult geleerd hebben.

172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.

173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen gekozen.

174O JAHWEH! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.

175Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.

176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.