BijbelPsalmen

Psalmen 12

Lees Psalmen 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

David bidt om zijn en de Kerks behoud van de algemene boosheid, ontrouw, valsheid, bedriegerij, aanmatiging en tirannie die bij de regeerders in zwang ging; en hij profeteert dat God hen richten en de vromen behouden zal, overeenkomstig de getrouwe beloften van Zijn Woord.

1Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Scheminith.

2Behoud, o JAHWEH; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

3Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

4JAHWEH snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong;

5Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?

6Om de verwoesting van de ellendigen, om het kermen van de armen, zal Ik nu opstaan, zegt JAHWEH; Ik zal in behoudenis zetten, die hij aanblaast.

7De redenen van JAHWEH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.

8U, JAHWEH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.

9De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van de mensenkinderen verhoogd worden.