BijbelPsalmen

Psalmen 18

Lees Psalmen 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Zie de inhoud van deze psalm bij 2 Sam. 22.

1Voor de koorleider. Van David, de dienaar van JAHWEH, die de woorden van dit lied tot JAHWEH sprak op de dag dat JAHWEH hem redde uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.

2Hij zei dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, JAHWEH, mijn Sterkte!

3JAHWEH is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Wie ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn van mijn heil, mijn Vesting.

4Ik riep JAHWEH aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.

5Banden van de dood hadden mij omvangen, en beken van Belial verschrikten mij.

6Banden van het dodenrijk omringden mij, strikken van de dood bejegenden mij.

7Als mij bange was, riep ik JAHWEH aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden van de bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.

9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

10En Hij boog de hemel, en daalde neer, en donkerheid was onder Zijn voeten.

11En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snel op de vleugelen van de wind.

12Duisternis zette Hij tot Zijn plek om te schuilen; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid van de wateren, wolken van de hemel.

13Van de glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarheen, hagel en vurige kolen.

14En JAHWEH donderde in de hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.

15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.

16En de diepe kolken van de wateren werden gezien, en de gronden van de wereld werden ontdekt, van Uw bestraffing, o JAHWEH! van het geblaas van de wind van Uw neus.

17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

18Hij verloste mij van mijn sterke vijand, en van mijn vijanden, omdat zij machtiger waren dan ik.

19Zij hadden mij bejegend op de dag van mijn ongeluk; maar JAHWEH was mij tot een Steun.

20En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.

21JAHWEH vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weer naar de reinheid van mijn handen.

22Want ik heb de wegen van JAHWEH gehouden, en ben van mijn God niet goddeloos afgegaan.

23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn voorschriften deed ik niet van mij weg.

24Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

25Zo gaf mij JAHWEH weer naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid van mijn handen, voor Zijn ogen.

26Bij de goedertierene houdt U Zich goedertieren, bij de oprechten man houdt U Zich oprecht.

27Bij de reine houdt U Zich rein, maar bij de verkeerde bewijst U Zich een Worstelaar.

28Want U verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert U.

29Want U doet mijn lamp lichten; JAHWEH, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.

30Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.

31Gods weg is volmaakt; de rede van JAHWEH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.

32Want wie is God, behalve JAHWEH? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?

33Het is God, die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.

34Hij maakt mijn voeten gelijk als van de hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.

35Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.

36Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.

37U hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.

38Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weer, voordat ik hen verdaan had.

39Ik doorstak hen, dat zij niet weer konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.

40Want U omgordde mij met kracht ten strijde; U deedt onder mij neerbuigen, die tegen mij opstonden.

41En U gaf mij de nek van mijn vijanden, en mijn vijanden, die vernielde ik.

42Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot JAHWEH, maar Hij antwoordde hun niet.

43Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind; ik ruimde hen weg als slijk van de straten.

44U hebt mij uitgeholpen van de twisten van het volk; U hebt mij gesteld tot een hoofd van de heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.

45Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinst onderworpen.

46Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.

47JAHWEH leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God van mijn heil!

48De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;

49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, U verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; U redt mij van de man van het geweld.

50Daarom zal ik U, o JAHWEH! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;

51Die de verlossingen van Zijn koning groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.