Psalmen 26
Lees Psalmen 26 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
David bidt God om recht tegen zijn vijanden, terwijl hij voor Hem zijn oprechtheid, onschuld en godzaligheid betuigt; en zich verzekerend van verhoring, belooft hij God dankbaarheid.
1Een psalm van David! Doe mij recht, JAHWEH! want ik wandel in mijn oprechtheid; en ik vertrouw op JAHWEH, ik zal niet wankelen.
2Proef mij, JAHWEH, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.
3Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.
4Ik zit niet bij ijdele mensen, en met bedekte mensen ga ik niet om.
5Ik haat de vergadering van de boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
6Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o JAHWEH!
7Om te doen horen de stem van de lof, en om te vertellen al Uw wonderen.
8JAHWEH! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats van de tabernakel Uw eer.
9Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed;
10In wier handen schandelijk bedrijf is, en wier rechterhand vol geschenken is.
11Maar ik wandel in mijn oprechtheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
12Mijn voet staat op effen baan; ik zal JAHWEH loven in de vergaderingen.