Psalmen 44
Lees Psalmen 44 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De Kerk troost en sterkt zichzelf door overdenking van Gods vroegere weldaden, maar stelt Hem daartegenover uitvoerig en zeer klagend haar tegenwoordige ellendige staat onder het geweld van haar vijanden voor; waarin zij, betuigend van haar standvastigheid in geloof en gehoorzaamheid, smeekt om verlossing.
1Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
2O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: U hebt een werk gewerkt in hun dagen, in de dagen van ouds.
3U hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar hen geplant; U hebt de volken geplaagd, hen daarentegen doen voortschieten.
4Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht van Uw aangezicht, omdat U een welbehagen in hen had.
5U Zelf bent mijn Koning, o God! gebied de verlossingen van Jakob.
6Door U zullen wij onze tegenstanders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.
7Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
8Maar U verlost ons van onze tegenstanders, en U maakt onze vijanden beschaamd.
9In God roemen wij de hele dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.
10Maar nu hebt U ons verstoten en te schande gemaakt, omdat U met onze legers niet uittrekt.
11U doet ons achteruit keren van de tegenstander; en onze vijanden beroven ons voor zich.
12U geeft ons over als schapen ter voedsel, en U verstrooit ons onder de heidenen.
13U verkoopt Uw volk voor geen prijs; en U verhoogt hun prijs niet.
14U stelt ons onze buren tot smaad, tot spot en schimp van hen, die rondom ons zijn.
15U stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.
16Mijn schande is de hele dag voor mij, en de schaamte van mijn aangezicht bedekt mij;
17Om de stem van de honer en van de lasteraar, vanwege de vijand en de wraakgierige.
18Dit alles is ons overkomen, toch hebben wij U niet vergeten, noch vals gehandeld tegen Uw verbond.
19Ons hart is niet achteruit gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.
20Hoewel U ons verpletterd hebt in een plaats van de draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.
21Zo wij de Naam van onze God hadden vergeten, en onze handen tot een vreemde God uitgebreid,
22Zou God dat niet onderzoeken? Want Hij weet de geheimen van het hart.
23Maar om Uwentwil worden wij de hele dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
24Waak op, waarom zou U slapen, JAHWEH! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.
25Waarom zou U Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?
26Want onze ziel is in het stof neergebogen; onze buik kleeft aan de aarde.
27Sta op, ons ter hulp, en verlos ons omwille van Uw goedertierenheid.