BijbelPsalmen

Psalmen 51

Lees Psalmen 51 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

David, in zware zonden gevallen, en door God door de profeet Nathan bestraft en opgewekt zijnde, bidt zeer vurig om genade en vergeving door de Messias, met belijdenis niet alleen van deze zonden, maar ook van zijn aangeboren verdorvenheid; hij begeert verder dat God Zijn Heilige Geest in hem vernieuwe, opdat hij daardoor ondersteund mag worden en anderen door hem geleerd; en God dankbaarheid belovend met oprechte boetvaardigheid, bidt hij ten slotte voor het behoud van de gehele Kerk.

1Een psalm van David, voor de opperzangmeester.

2Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.

3Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; wis mijn overtreding uit, naar de grootheid van Uw barmhartigheden.

4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.

5Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.

6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten.

7Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.

8Zie, U hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend.

9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.

10Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die U verbrijzeld hebt.

11Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en wis uit al mijn ongerechtigheden.

12Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.

13Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heilige Geest niet van mij.

14Geef mij weer de vreugde van Uw heil; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.

15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.

16Verlos mij van bloedschulden, o God, U, God van mijn heil! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.

17Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.

18Want U hebt geen lust tot offergave, anders zou ik ze geven; in brandoffers hebt U geen behagen.

19De offergaven Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten.

20Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op.

21Dan zult U lust hebben aan de offergaven van de gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat geheel verteerd wordt; dan zullen zij stieren offeren op Uw altaar.