Psalmen 66
Lees Psalmen 66 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet vermaant iedereen tot Gods lof, over Zijn wonderbare werken, in het bijzonder over de verlossingen van Zijn Kerk uit allerlei nood, waarmee Hij haar beproeft; daarbij stelt hij, als een voorbeeld van recht bidden en danken, zijn eigen voorbeeld en ondervinding voor.
1Een lied, een psalm, voor de opperzangmeester. Juich voor God, u gehele aarde!
2Psalmzing de eer van Zijn Naam; geef eer Zijn lof.
3Zeg tot God: Hoe vreselijk bent U in Uw werken! Om de grootheid van Uw sterkte zullen zich Uw vijanden geveinst aan U onderwerpen.
4De hele aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.
5Kom en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.
6Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.
7Hij heerst eeuwig met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
8Loof, u volken! onze God; en laat horen de stem van Zijn roem.
9Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.
10Want U hebt ons beproefd, o God! U hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;
11U had ons in het net gebracht; U had een strakke band om onze middel gelegd;
12U had de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar U hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.
13Ik zal met brandoffers in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,
14Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
15Brandofferen van vetgemeste dieren zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.
16Kom, hoor toe, o allen u, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
17Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.
18Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.
19Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem van mijn gebed.
20Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.