Psalmen 74
Lees Psalmen 74 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De Kerk van God klaagt over de gruwelijke verwoestingen die de vijanden overal, in het bijzonder in de tempel en de synagogen, hadden aangericht; en Hem voorleggend de wreedheid en de godslasteringen van de vijand, het tegenwoordige gemis van Gods gewone genadetekenen, Zijn voorgaande wonderen en weldaden, de ellendige staat van Zijn beminde en weerloze Kerk, en de vastheid van Zijn verbond, bidt zij om verlossing, tot Zijn eer en tot beschaming van de vijanden.
1Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot U in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen van Uw weide?
2Gedenk aan Uw vergadering, die U van ouds verworven hebt; de roede van Uw erfenis, die U verlost hebt; de berg Sion, waarop U gewoond hebt.
3Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.
4Uw tegenstanders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.
5Een ieder werd er bekend als één, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtheid van een geboomte.
6Zo hebben zij nu van die graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen.
7Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning van Uw Naam ontheiligd.
8Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons samen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.
9Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.
10Hoe lang, o God! zal de tegenstander smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?
11Waarom trekt U Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.
12Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden van de aarde.
13U hebt door Uw sterkte de zee gespleten; U hebt de koppen van de draken in de wateren verbroken.
14U hebt de koppen van de Leviathan verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in dorre plaatsen.
15U hebt een fontein en beek gekliefd; U hebt sterke rivieren uitgedroogd.
16De dag is van U, ook is de nacht van U; U hebt het licht en de zon bereid.
17U hebt al de grenzen van de aarde gesteld; zomer en winter, die hebt U gevormd.
18Gedenk hieraan; de vijand heeft JAHWEH gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
19Geef aan het wild gedierte de ziel van Uw tortelduif niet over; vergeet de hoop van Uw ellendigen niet in eeuwigheid.
20Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen van het land zijn vol woningen van geweld.
21Laat de verdrukte niet beschaamd terugkeren; laat de ellendige en arme Uw Naam prijzen.
22Sta op, o God! twist Uw rechtszaak; gedenk van de smaad, die U van de dwaze wedervaart de hele dag.
23Vergeet niet het geroep Uw tegenstanders; het getier van degenen, die tegen U opstaan, klimt steeds op.