BijbelPsalmen

Psalmen 78

Lees Psalmen 78 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De profeet, vermaand hebbend tot opmerkzaamheid, lering en prediking van Gods Woord en werken, verhaalt uitvoerig Gods vaderlijke liefde en langdurige lankmoedigheid, waardoor Hij, gestreden hebbend tegen de veelvuldige ondankbaarheid van Zijn volk, ten slotte Silo verlaten heeft, en de andere stammen voorbijgaand, Sion in Juda tot de plaats van Zijn godsdienst, en David uit de stam van Juda tot het koningschap verkoren heeft, hetgeen een voorbeeld is van Christus' eeuwig Koninkrijk.

1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter ore; neig uw oor tot de redenen van mijn mond.

2Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal geheimen overvloedig uitstorten, van ouds her;

3Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.

4Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden van JAHWEH, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.

5Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israël; die Hij onze vaders geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;

6Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;

7En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;

8En dat zij niet zouden worden zoals hun vaders, een koppig en opstandig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en waarvan de geest niet getrouw was met God.

9(De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd.)

10Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.

11En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.

12Voor hun vaders had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.

13Hij kloof de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als één hoop.

14En Hij leidde hen overdag met een wolk, en de hele nacht met een licht van het vuur.

15Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als uit afgronden.

16Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

17Nog voeren zij verder voort tegen Hem te zondigen, verbitterende de Allerhoogste in de dorre wildernis.

18En zij verzochten God in hun hart, begerende het voedsel naar hun lust.

19En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?

20Zie, Hij heeft de rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloedig uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk vlees toebereiden?

21Daarom hoorde JAHWEH, en werd toornig; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël;

22Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.

23Daar Hij de wolken van boven gebood, en de deuren van de hemel opende;

24En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.

25Ieder at het brood van de Machtigen; Hij zond hun proviant tot verzadiging.

26Hij dreef de oostenwind voort in de hemel, en voerde de zuidenwind aan door Zijn sterkte;

27En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand van de zeeën;

28En deed het vallen in het midden van zijn leger, rondom zijn woningen.

29Toen aten zij, en werden zeer verzadigd; zodat Hij hun hun lust toebracht.

30Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun voedsel was nog in hun mond,

31Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël velde neer.

32Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.

33Daarom deed Hij hun dagen vergaan in zinloosheid, en hun jaren in verschrikking.

34Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weer, en zochten God vroeg;

35En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.

36En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.

37Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.

38Maar Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn hele woede niet op.

39En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die heengaat en niet terugkeert.

40Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

41Want zij kwamen opnieuw, en verzochten God, en stelden de Heilige van Israël een perk.

42Zij dachten niet aan Zijn hand, aan de dag, toen Hij hen van de tegenstander verloste;

43Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderen in het veld van Zoan;

44En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.

45Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en kikkers, die hen verdierven.

46En Hij gaf hun gewas de kruidworm, en hun arbeid de sprinkhaan.

47Hij doodde hun wijnstok door de hagel, en hun wilde vijgebomen door vurige hagelsteen.

48Ook gaf Hij hun vee de hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.

49Hij zond onder hen de hitte van Zijn toorn, toorn, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending van de boden van veel kwaad.

50Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van de dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pest over.

51En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham.

52En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.

53Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.

54En Hij bracht hen tot de grens van Zijn heiligheid, tot deze berg, die Zijn rechterhand verkregen heeft.

55En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en gaf hen het land van de heidenen als erfdeel, en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.

56Maar zij verzochten en verbitterden God, de Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.

57En zij weken terug, en handelden trouweloos, zoals hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.

58En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.

59God hoorde het en werd toornig, en verstootte Israël zeer.

60Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.

61En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand van de tegenstanders.

62En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd toornig tegen Zijn erfenis.

63Het vuur verteerde hun jongemannen, en hun meisjes werden niet geprezen.

64Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen huilden niet.

65Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van de wijn.

66En Hij sloeg Zijn tegenstanders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaad aan.

67Maar Hij verwierp de tent van Jozef, en de stam van Efraïm verkoos Hij niet.

68Maar Hij verkoos de stam van Juda, de berg Sion, die Hij liefhad.

69En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.

70En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;

71Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis.

72Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid van zijn hart, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid van zijn handen.