Psalmen 95
Lees Psalmen 95 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Een vermaning tot lof, dienst en gehoorzaamheid aan God, vanwege Zijn grootheid; alsook een afrading om het hart zo niet te verharden zoals Israël gedaan had, dat daarom niet is ingegaan tot Zijn rust.
1Kom, laat ons JAHWEH vrolijk zingen; laat ons juichen voor de Rotssteen van ons heil.
2Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons voor Hem juichen met psalmen.
3Want JAHWEH is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
4In Wiens hand de diepste plaatsen van de aarde zijn, en de hoogten van de bergen zijn van Hem;
5Van Wie ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge gevormd.
6Kom, laat ons aanbidden en neerbuigen; laat ons knielen voor JAHWEH, Die ons gemaakt heeft.
7Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, en de schapen van Zijn hand. Vandaag, zo u Zijn stem hoort,
8Verhard uw hart niet, zoals te Meriba, zoals op de dag van Massa in de woestijn;
9Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.
10Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
11Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!