Richteren 10
Lees Richteren 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Thola en Jaïr zijn richteren, vers 1, enz. Israël vervalt in gruwelijke afgoderij, 6. Daarom geeft God hen over in de hand der Filistijnen en Ammonieten, die hen jammerlijk plagen, 7. Israël verkrijgt ten slotte, door ootmoedig bidden en smeken, alsook afschaffing van de afgoderij, genade bij God, 10. De Ammonieten en Israëlieten legeren zich tegen elkaar in Gilead, 17.
1Na Abimelech nu stond op, om Israël te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van Efraïm.
2En hij richtte Israël drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir.
3En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren.
4En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-jair, tot op deze dag, die in het land van Gilead zijn.
5En Jaïr stierf, en werd begraven te Kamon.
6Toen voeren de Israëlieten voort te doen, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, en dienden de Baäls, en Astharoth, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden van de kinderen Ammons, en ook de goden van de Filistijnen; en zij verlieten JAHWEH, en dienden Hem niet.
7Zo ontstak de toorn van JAHWEH tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van de Filistijnen, en in de hand van de kinderen Ammons.
8En zij onderdrukten en vertraden de Israëlieten in dat jaar; achttien jaren, onderdrukten zij al de Israëlieten, die aan de overzijde van de Jordaan waren, in het land van de Amorieten, dat in Gilead is.
9Daartoe trokken de kinderen Ammons over de Jordaan, om te strijden, zelfs tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van Efraïm; zodat het Israël zeer bang werd.
10Toen riepen de Israëlieten tot JAHWEH, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onze God hebben verlaten, als dat wij de Baäls gediend hebben.
11Maar JAHWEH zei tot de Israëlieten: Heb Ik u niet van de Egyptenaren, en van de Amorieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen,
12En de Sidoniërs, en Amalekieten, en Maonieten, die u onderdrukten, toen u tot Mij riept, dan uit hun hand verlost?
13Toch hebt u Mij verlaten, en andere goden gediend; daarom zal Ik u niet meer verlossen.
14Ga heen, roept tot de goden, die u gekozen hebt; laten die u verlossen, in de tijd van uw benauwdheid.
15Maar de Israëlieten zeiden tot JAHWEH: Wij hebben gezondigd; doe U ons, naar alles, wat goed is in Uw ogen; alleen verlos ons toch te deze dage!
16En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden JAHWEH. Toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid van Israël.
17En de kinderen van Ammon werden bijeengeroepen, en sloegen hun kamp op in Gilead; daarentegen werden de Israëlieten verzameld, en sloegen hun kamp op te Mizpa.
18Toen zei het volk, de oversten van Gilead, de één tot de ander: Wie is de man, die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons? die zal tot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead.