BijbelRichteren

Richteren 11

Lees Richteren 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wanneer Jefta, als onwettig kind, door zijn broers verstoten is, gaat hij wonen in het land Tob, waar hij zich met enig volk oefent in strooptochten, vers 1, enz. Hij wordt daarna door de oudsten van Gilead geroepen tot krijgsoverste tegen de Ammonieten, 5. Wat hij onder zekere voorwaarde aanneemt, 9. Hij zendt tweemaal boden tot de koning der Ammonieten, om hem tot het staken van de strijd te bewegen, maar tevergeefs, 12. Daarom trekt Jefta, door Gods Geest gedreven, tegen hem op, en doet een onbedachte gelofte, 29. Hij verslaat de Ammonieten, 32, en volbrengt zijn gelofte aan zijn dochter, 34.

1Jeftha nu, de Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was een hoerenkind; maar Gilead had Jeftha gegenereerd.

2Gileads huisvrouw baarde hem ook zonen; en de zonen van deze vrouw, groot geworden zijnde, verstootten Jeftha uit, en zeiden tot hem: U zult in het huis van onze vader niet erven, want u bent een zoon van een andere vrouw.

3Toen vluchtte Jeftha voor het aangezicht van zijn broers, en woonde in het land Tob; en ijdele mannen verzamelden zich tot Jeftha, en trokken met hem uit.

4En het gebeurde, na enige dagen, dat de kinderen Ammons tegen Israël streden.

5Zo gebeurde het, als de kinderen Ammons tegen Israël streden, dat de oudsten van Gilead heengingen, om Jeftha te halen uit het land van Tob.

6En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons.

7Maar Jeftha zei tot de oudsten van Gilead: Hebt u mij niet gehaat, en mij uit mijn vaders huis verstoten? waarom bent u dan nu tot mij gekomen, terwijl u in benauwdheid bent?

8En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: Daarom zijn wij nu tot u teruggekomen, dat u met ons trekt, en tegen de kinderen Ammons strijdt; en u zult ons tot een hoofd zijn, over alle inwoners van Gilead.

9Toen zei Jeftha tot de oudsten van Gilead: Zo u mij terughaalt, om te strijden tegen de kinderen Ammons, en JAHWEH hen voor mijn aangezicht geven zal, zal ik u dan tot een hoofd zijn?

10En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: JAHWEH zij toehoorder tussen ons, als wij niet zo naar uw woord doen.

11Zo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht van JAHWEH te Mizpa.

12Verder zond Jeftha boden tot de koning van de kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en u met elkaar te doen, dat u tot mij gekomen bent, om tegen mijn land te strijden?

13En de koning van de kinderen Ammons zei tot de boden van Jeftha: Omdat Israël, als hij uit Egypte optrok, mijn land genomen heeft, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en tot aan de Jordaan; zo geef mij dat nu weer met vrede.

14Maar Jeftha voer verder voort, en zond boden tot de koning van de kinderen Ammons.

15En hij zei tot hem: Zo zegt Jeftha: Israël heeft het land van de Moabieten, en het land van de kinderen Ammons niet genomen;

16Want als zij uit Egypte optrokken, zo wandelde Israël door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades.

17En Israël zond boden tot de koning van de Edomieten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning van de Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot de koning van de Moabieten, die ook niet wilde. Zo bleef Israël in Kades.

18Daarna wandelde hij in de woestijn, en trok om het land van de Edomieten en het land van de Moabieten, en kwam van de opgang van de zon aan het land van de Moabieten, en zij sloegen hun kamp op aan de overzijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen het gebied van de Moabieten; want de Arnon is het gebied van de Moabieten.

19Maar Israël zond boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, koning van Hesbon, en Israël zei tot hem: Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan mijn plaats.

20Maar Sihon betrouwde Israël niet door zijn gebied door te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij sloegen hun kamp op te Jaza; en hij streed tegen Israël.

21En JAHWEH, de God van Israël, gaf Sihon met al zijn volk in de hand van Israël, dat zij hen sloegen; zo nam Israël erfelijk in het hele land van de Amorieten, die in dat land woonden.

22En zij namen erfelijk in het gehele gebied van de Amorieten, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en van de woestijn tot aan de Jordaan.

23Zo heeft nu JAHWEH, de God van Israël, de Amorieten voor het aangezicht van Zijn volk Israël uit de bezitting verdreven; en zou u hun erfgenaam zijn?

24Zou u niet degene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen wij al degene erven, die JAHWEH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft.

25Nu verder, bent u veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten? heeft hij ooit met Israël getwist? heeft hij ook ooit tegen hem gestreden?

26Terwijl Israël driehonderd jaren gewoond heeft in Hesbon, en in haar stadjes, en in Aroër en in de stadjes, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt u het dan in die tijd niet gered?

27Ook heb ik tegen u niet gezondigd, maar u doet kwalijk bij mij, dat u tegen mij strijdt; JAHWEH, Die Rechter is, richte vandaag tussen de Israëlieten en tussen de kinderen Ammons!

28Maar de koning van de kinderen Ammons hoorde niet naar de woorden van Jeftha, die hij tot hem gezonden had.

29Toen kwam de Geest van JAHWEH op Jeftha, dat hij Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons.

30En Jeftha beloofde JAHWEH een gelofte, en zei: Als U de kinderen Ammons geheel in mijn hand zult geven;

31Zo zal het uitgaande, dat uit de deur van mijn huis mij tegemoet zal uitgaan, als ik met vrede van de kinderen Ammons terugkom, dat zal van JAHWEH zijn, en ik zal het offeren als brandoffer.

32Zo trok Jeftha door naar de kinderen Ammons, om tegen hen te strijden; en JAHWEH gaf hen in zijn hand.

33En hij sloeg hen van Aroër af tot daar u komt te Minnith, twintig steden, en tot aan Abel-Keramim, met een zeer grote slag. Zo werden de kinderen Ammons ten onder gebracht voor het aangezicht van de Israëlieten.

34Toen nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zo ging zijn dochter uit hem tegemoet, met trommelen en met reien. Zij nu was alleen, een enig kind; hij had uit zich anders geen zoon of dochter.

35En het gebeurde, als hij haar zag, zo verscheurde hij zijn kleren, en zei: Ach, mijn dochter! u hebt mij geheel neergebogen, en u bent onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot JAHWEH, en ik zal niet kunnen teruggaan.

36En zij zei tot hem: Mijn vader! heb u uw mond opengedaan tot JAHWEH, doe mij, zoals uit uw mond gegaan is; aangezien JAHWEH u volkomen wraak gegeven heeft van uw vijanden, van de kinderen Ammons.

37Verder zei zij tot haar vader: Laat deze zaak aan mij gebeuren: Laat twee maanden van mij af, dat ik heenga, en ga af tot de bergen, en bewene mijn maagdom, ik en mijn gezellinnen.

38En hij zei: Ga heen; en hij liet haar twee maanden gaan. Toen ging zij heen met haar vriendinnen, en beweende haar maagdom op de bergen.

39En het gebeurde na verloop van twee maanden dat zij tot haar vader terugkwam, die aan haar volbracht zijn gelofte, die hij beloofd had; en zij heeft geen man bekend. Verder werd het een gewoonte in Israël,

40Dat de dochters van Israël van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, de Gileadiet, aan te spreken, vier dagen in het jaar.