Richteren 15
Lees Richteren 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Simson wil zijn vrouw bezoeken, maar zij wordt hem geweigerd, vers 1, enz. Daarom steekt hij het koren der Filistijnen in brand door vossen met fakkels, 4. Waarover de Filistijnen Simsons vrouw met haar vader verbranden, 7. Wat Simson weer wreekt, 8. De Filistijnen trekken op om zich op Simson te wreken, die door die van Juda gebonden aan hen overgeleverd wordt, 9. Maar hij breekt zijn boeien, en verslaat duizend Filistijnen met een ezelskinnebak, 14. Wanneer hij daarvan vermoeid en dorstig is, verkrijgt hij van God door het gebed een bron, drinkt en wordt verkwikt, 18.
1En het gebeurde na sommige dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zei: Laat mij tot mijn huisvrouw ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan.
2Want haar vader zei: Ik sprak zeker, dat u haar geheel haatte, zo heb ik haar aan uw metgezel gegeven. Is niet haar kleinste zus schoner dan zij? Laat ze u toch zijn in de plaats van haar.
3Toen zei Simson tot hen: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe.
4En Simson ging heen, en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed een fakkel tussen twee staarten in het midden.
5En hij stak de fakkelen aan met vuur, en liet ze lopen in het staande koren van de Filistijnen; en hij stak in brand zowel de korenhopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfbomen toe.
6Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de Thimniet, omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen, en heeft haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op, en verbrandden haar en haar vader met vuur.
7Toen zei Simson tot hen: Zou u zo doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zo zal ik daarna ophouden.
8En hij sloeg hen, de schenkel en de heup, met een grote slag; en hij ging af, en woonde op de hoogte van de rots Etam.
9Toen trokken de Filistijnen op, en sloegen hun kamp op tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi.
10En de mannen van Juda zeiden: Waarom bent u tegen ons opgetrokken? En zij zeiden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om hem te doen, zoals hij ons gedaan heeft.
11Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol van de rots Etam, en zeiden tot Simson: Wist u niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dan dit gedaan? En hij zei tot hen: Zoals zij mij gedaan hebben, zo heb ik hun gedaan.
12En zij zeiden tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand van de Filistijnen. Toen zei Simson tot hen: Zweer mij, dat u op mij niet zult aanvallen.
13En zij spraken tot hem, zeggende: Nee, maar wij zullen u wel binden, en u in hun hand overgeven; maar wij zullen u in geen geval doden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen, en voerden hem op van de rots.
14Als hij kwam tot Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest van JAHWEH kwam met kracht over hem; en de touwen, die aan zijn armen waren, werden als linnen draden, die van het vuur gebrand zijn, en zijn banden versmolten van zijn handen.
15En hij vond een vochtig ezelskinnebakken, en hij strekte zijn hand uit, en nam het, en sloeg daarmee duizend man.
16Toen zei Simson: Met een ezelskinnebakken, één hoop, twee hopen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen.
17En het gebeurde, als hij geëindigd had te spreken, zo wierp hij het kaakbeen uit zijn hand, en hij noemde die plaats Ramath-lechi.
18Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot JAHWEH, en zei: U hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand van deze onbesnedenen?
19Toen kloofde God de holle plaats, die in Lechi is, en er ging water uit daarvan, en hij dronk. Toen kwam zijn geest weer, en hij werd levend. Daarom noemde hij haar naam: De fontein van de aanroeper, die in Lechi is, tot op deze dag.
20En hij richtte Israël, in de dagen van de Filistijnen, twintig jaren.