Richteren 19
Lees Richteren 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Een Leviet trekt van het gebergte van Efraïm naar Bethlehem, om zijn bijvrouw, die van hem weggegaan was, terug te halen, vers 1, enz. Hij wordt door haar vader vriendelijk onthaald en opgehouden tot op de vijfde dag, 3. Toen vertrok hij, en kwam te Gibea in Benjamin, 10. Waar hij ten slotte door een oude man, die van het gebergte van Efraïm was, geherbergd wordt, 16. Maar de lieden van de stad omsingelen het huis, en willen de Leviet gruwelijk geweld aandoen, die hun door de nood gedwongen zijn bijvrouw overgeeft, die zij tot de dood toe misbruiken, 22. Haar man voert haar dood naar huis, verdeelt haar in twaalf stukken, en zendt die overal in de landstreken van Israël, 28.
1Het gebeurde ook in die dagen, als er geen koning was in Israël, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich een vrouw, een bijvrouw, nam van Bethlehem-juda.
2Maar zijn bijvrouw hoereerde, bij hem zijnde, en trok van hem weg naar het huis van haar vader, tot Bethlehem-juda; en zij was daar enige dagen, te weten vier maanden.
3En haar man maakte zich op, en trok haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weer te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis van haar vader. En als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijn ontmoeting.
4En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, behield hem, dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten en dronken, en overnachtten daar.
5Op de vierde dag nu gebeurde het, dat zij 's morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zei de vader van het meisje tot zijn schoonzoon: Sterk uw hart met een stuk brood, en daarna zult u wegtrekken.
6Zo zaten zij neer, en zij beiden aten samen, en dronken. Toen zei de vader van de jonge vrouw tot de man: Bewillig toch en overnacht, en laat uw hart vrolijk zijn.
7Maar de man stond op, om weg te trekken. Toen drong hem zijn schoonvader, dat hij daar opnieuw overnachtte.
8Als hij op de vijfde dag 's morgens vroeg op was, om weg te trekken, zo zei de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij wachtten, totdat de dag zich neigde; en zij beiden aten samen.
9Toen maakte zich de man op, om weg te trekken, hij, en zijn bijvrouw, en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zei: Zie toch, de dag heeft afgenomen, dat het avond zal worden, overnacht toch; zie, de dag legert zich, overnacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, en maak u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uw tent.
10Maar de man wilde niet overnachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (die is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezels; ook was zijn bijvrouw met hem.
11Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zei tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad van de Jebusieten wijken, en daarin overnachten.
12Maar zijn heer zei tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de Israëlieten; maar wij zullen voorttrekken tot Gibeä toe.
13Verder zei hij tot zijn jongen: Ga voort, dat wij tot één van die plaatsen naderen, en te Gibeä of te Rama overnachten.
14Zo trokken zij voort, en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibeä, die Benjamins is;
15En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibeä te overnachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neer in een straat van de stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te overnachten.
16En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in de avond, die man ook was van het gebergte van Efraïm, maar als vreemdeling verkeerde te Gibeä; maar de mensen van deze plaats waren kinderen van Jemini.
17Als hij nu zijn ogen ophief, zo zag hij die reizende man op de straat van de stad; en de oude man zei: Waar trekt u heen, en vanwaar komt u?
18En hij zei tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-juda tot aan de zijden van het gebergte van Efraïm, vanwaar ik ben; en ik was naar Bethlehem-juda getrokken, maar ik trek nu naar het huis van JAHWEH; en er is niemand, die mij in huis neemt.
19Daar toch onze ezels zowel stro als voer hebben, en ook brood en wijn is voor mij, en voor uw dienstmaagd, en voor de jongen, die bij uw knechten is; er is aan geen ding gebrek.
20Toen zei de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleen overnacht niet op de straat.
21En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezels voer; en hun voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij.
22Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot de oude man, de heer van het huis, zeggende: Breng de man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen.
23En de man, de heer van het huis, ging tot hen uit, en zei tot hen: Niet, mijn broers, doet toch zo kwalijk niet; aangezien deze man in mijn huis gekomen is, zo doet zulke dwaasheid niet.
24Zie, mijn dochter die maagd is, en zijn bijvrouw, die zal ik nu uitbrengen, dat u die schendt, en haar doet, wat goed is in uw ogen; maar doet aan deze man zulk een dwaas ding niet.
25Maar de mannen wilden naar hem niet horen. Toen greep de man zijn bijvrouw, en bracht haar uit tot hen daarbuiten; en zij bekenden haar, en waren met haar bezig de gehele nacht tot aan de morgen, en lieten haar gaan, als de dageraad oprees.
26En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van de morgenstond, en viel neer voor de deur van het huis van de man, waarin haar heer was, totdat het licht werd.
27Als nu haar heer 's morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, ziet, zo lag de vrouw, zijn bijvrouw, aan de deur van het huis, en haar handen op de dorpel.
28En hij zei tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op de ezel, en de man maakte zich op, en trok naar zijn plaats.
29Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijvrouw, en deelde haar met haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in het hele gebied van Israël.
30En het gebeurde, dat al wie het zag, zei: Dat is niet gebeurd noch gezien, van die dag af, dat de Israëlieten uit Egypteland zijn opgetrokken, tot op deze dag; leg uw hart daarop, geeft raad en spreekt!