BijbelRichteren

Richteren 4

Lees Richteren 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God plaagt Israël om hun zonden door koning Jabin, wiens legeroverste Sisera was, vers 1, 2, enz. Daarna verwekt God de profetes Debora, die Barak namens Hem opdraagt op te trekken tegen Sisera, met belofte van overwinning, en zij trekt met hem op, 4, enz. Het leger van Sisera wordt vreselijk verslagen, 15. Jaël verbergt de vluchtende Sisera, en brengt hem om in haar tent, 17. Koning Jabin wordt uitgeroeid, 24.

1Maar de Israëlieten voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, als Ehud gestorven was.

2Zo verkocht hen JAHWEH in de hand van Jabin, koning van de Kanaänieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera; die nu woonde in Haroseth van de heidenen.

3Toen riepen de Israëlieten tot JAHWEH; want hij had negenhonderd ijzeren wagens, en hij had de Israëlieten met geweld onderdrukt, twintig jaren.

4Debora nu, een vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte in die tijd Israël.

5En zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-el, op het gebergte van Efraïm; en de Israëlieten gingen op tot haar ten gerichte.

6En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft JAHWEH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?

7En Ik zal aan de beek Kison tot u trekken Sisera, de oorlogsoverste van Jabin, met zijn wagens en zijn menigte; en Ik zal hem in uw hand geven?

8Toen zei Barak tot haar: Als u met mij trekken zult, zo zal ik heen trekken; maar als u niet met mij zult trekken, zo zal ik niet trekken.

9En zij zei: Ik zal zeker met u trekken, behalve dat de eer de uwe niet zal zijn op deze weg, die u wandelt; want JAHWEH zal Sisera verkopen in de hand van een vrouw. Zo maakte Debora zich op, en trok met Barak naar Kedes.

10Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij trok op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook trok Debora met hem op.

11Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kaïn, uit de kinderen van Hobab, Mozes' schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan de eik in Zaanaim, die bij Kedes is.

12Toen boodschapten zij Sisera, dat Barak, de zoon van Abinoam, op de berg Thabor getrokken was.

13Zo riep Sisera al zijn wagens bijeen, negenhonderd ijzeren wagens, en al het volk, dat met hem was, van Haroseth van de heidenen tot de beek Kison.

14Debora dan zei tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, waarop JAHWEH Sisera in uw hand gegeven heeft; is JAHWEH niet voor uw aangezicht heen uitgetrokken? Zo trok Barak van de berg Thabor af, en tien duizend man achter hem.

15En JAHWEH versloeg Sisera, met al zijn wagens, en het hele leger, door de scherpte van het zwaard, voor het aangezicht van Barak; dat Sisera van de wagen afklom, en vluchtte op zijn voeten.

16En Barak jaagde ze na, achter de wagens en achter het leger, tot aan Haroseth van de heidenen. En het hele leger van Sisera viel door de scherpte van het zwaard, dat er niet overbleef tot één toe.

17Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, de Keniet; want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, de Keniet.

18Jaël nu ging uit, Sisera tegemoet, en zei tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken.

19Daarna zei hij tot haar: Geef mij toch een beetje water te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe.

20Ook zei hij tot haar: Sta in de deur van de tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat u zegt: Niemand.

21Daarna nam Jaël, de huisvrouw van Heber, een nagel van de tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef de nagel in de slaap van zijn hoofd, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepe slaap bevangen en vermoeid, en stierf.

22En ziet, Barak vervolgde Sisera; en Jaël ging uit hem tegemoet, en zei tot hem: Kom, en ik zal u de man wijzen, die u zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sisera lag dood, en de nagel was in de slaap van zijn hoofd.

23Zo heeft God op die dag Jabin, de koning van Kanaän, ten onder gebracht, voor het aangezicht van de Israëlieten.

24En de hand van de Israëlieten ging steeds voort, en werd hard over Jabin, de koning van Kanaän, totdat zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid.