Richteren 7
Lees Richteren 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Gideon legert zich tegen de Midianieten met zijn krijgsvolk, vers 1. Dat hij op Gods bevel door afkondiging en een teken moet verminderen tot driehonderd man, die hij alleen behoudt, 2. Hij verkent het leger der Midianieten, en, gesterkt door het vertellen en uitleggen van een wonderlijke droom, verdeelt hij zijn volk in drie groepen, die alle tegelijk op de bazuinen blazen, en de kruiken (waarin fakkels waren) stukslaan, 15. Waardoor de Midianieten ontzet en op de vlucht raken, ja, elkaar zelfs vernielen, 21. De dichtstbijzijnde Israëlieten worden opgeroepen om de vluchtende vijand te bestrijden en de doorgang over de Jordaan te beletten, 23. Twee vorsten der Midianieten, Oreb en Zeëb, worden gevangen en gedood, 25.
1Toen stond Jerubbaäl (die is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij sloegen hun kamp op aan de fontein van Harod; dat hij het leger van de Midianieten had tegen het noorden, achter de heuvel More, in het dal.
2En JAHWEH zei tot Gideon: Het volk is te veel, dat met u is, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israël niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn hand heeft mij verlost.
3Nu dan, roep nu uit voor de oren van het volk, zeggende: Wie bevreesd is en beeft, die kere weer, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weer twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven.
4En JAHWEH zei tot Gideon: Nog is het volk te veel; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal ze u daar beproeven; en het zal gebeuren, van wie Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar al degene, van wie Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken.
5En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zei JAHWEH tot Gideon: Al wie met zijn tong uit het water zal likken, zoals een hond zou likken, die zult u alleen stellen; evenzo al wie op zijn knieën zal bukken om te drinken.
6Toen was het getal van degenen, die met hun hand tot hun mond gelikt hadden, driehonderd man; maar alle overigen van het volk hadden op hun knieën gebukt, om water te drinken.
7En JAHWEH zei tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelikt hebben, zal Ik u verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.
8En het volk nam de proviant in hun hand, en hun bazuinen; en hij liet al die mannen van Israël gaan, ieder naar zijn tent; maar die driehonderd man behield hij. En hij had het leger van de Midianieten beneden in het dal.
9En het gebeurde in die nacht, dat JAHWEH tot hem zei: Sta op, ga heen af in het leger, want Ik heb het in uw hand gegeven.
10Vrees u dan nog af te gaan, zo ga af, u, en Pura, uw jongen, naar het leger.
11En u zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt worden, dat u aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste van de schildwachten, die in het leger waren.
12En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, zoals sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren ontelbaar, zoals het zand, dat aan de oever van de zee is, in menigte.
13Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zei: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroosterd gerstebrood wentelde zich in het leger van de Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven, dat de tent er lag.
14En zijn metgezel antwoordde, en zei: Dit is niet anders, dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de Israëlietische man; God heeft de Midianieten en dit hele leger in zijn hand gegeven.
15En het gebeurde, als Gideon de vertelling van deze droom, en zijn uitlegging hoorde, zo aanbad hij; en hij keerde weer tot het leger van Israël, en zei: Maak u op, want JAHWEH heeft het leger van de Midianieten in uw hand gegeven.
16En hij deelde de driehonderd man in drie hopen; en hij gaf ieder een bazuin in zijn hand, en lege kruiken, en fakkelen in het midden van de kruiken.
17En hij zei tot hen: Zie naar mij en doet zo; en ziet, als ik zal komen aan het uiterste van de leger, zo zal het gebeuren, zoals ik zal doen, zo zult u doen.
18Als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen, die met mij zijn, dan zult u ook met de bazuin blazen, rondom het hele leger, en u zult zeggen: Voor JAHWEH en voor Gideon!
19Zo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste van de leger, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken.
20Zo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van JAHWEH, en van Gideon!
21En zij stonden, ieder in zijn plaats, rondom het leger. Toen verliep het hele leger, en zij schreeuwden en vluchtten.
22Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette JAHWEH het zwaard van de één tegen de anderen, en dat in het hele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath.
23Toen werden de mannen van Israël bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit geheel Manasse; en zij jaagden de Midianieten achterna.
24Ook zond Gideon boden in het hele gebergte van Efraïm, zeggende: Kom af de Midianieten tegemoet, en beneemt hun de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; zo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan.
25En zij vingen twee vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, en doodden Oreb op de rotssteen Oreb, en Zeëb doodden zij in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon, over de Jordaan.