Richteren 8
Lees Richteren 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De Efraïmieten morren tegen Gideon, maar worden door hem gestild, vers 1, enz. Hij vervolgt de twee koningen der Midianieten over de Jordaan, waar die van Sukkoth en Pnuël smadelijk weigeren zijn volk te verkwikken, 4. Hij overvalt en vangt de twee koningen der Midianieten en verstrooit hun overige leger, 11. Wanneer hij terugkeert, straft hij die van Sukkoth en Pnuël, 13. Hij doodt de twee koningen, Zebah en Zalmuna, 18; weigert heer over Israël te zijn, 22. Hij vraagt een geschenk van de buit, en maakt daarvan een aanstootgevende efod, en stelt die te Ofra, 24. Gideons kinderen, vrouwen, dood en begrafenis, 30. Israël wordt weer afvallig van God, en is ondankbaar jegens het huis van Gideon, 33.
1Toen zeiden de mannen van Efraïm tot hem: Wat is dit, dat u ons gedaan hebt, dat u ons niet riept, toen u heentrok om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.
2Hij daarentegen zei tot hen: Wat heb ik nu gedaan, zoals u; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?
3God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, zoals u? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.
4Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moe, toch vervolgende.
5En hij zei tot de mensen van Sukkoth: Geef toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen van de Midianieten, achterna.
6Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw leger brood zouden geven?
7Toen zei Gideon: Daarom, als JAHWEH Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen van de woestijn, en met distelen.
8En hij trok van daar op naar Pnuël, en sprak tot hen evenzo. En de mensen van Pnuël antwoordden hem, zoals de mensen van Sukkoth geantwoord hadden.
9Daarom sprak hij ook tot de mensen van Pnuël, zeggende: Als ik met vrede terugkome, zal ik deze toren afwerpen.
10Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, ongeveer vijftien duizend, al de overgeblevenen van het hele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.
11En Gideon trok omhoog, de weg van degenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.
12En Zebah en Tsalmuna vluchtten; maar hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het hele leger.
13Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van de strijd terugkwam, voor de opgang van de zon,
14Zo ving hij een jongen van de mensen te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen.
15Toen kwam hij tot de mensen van Sukkoth, en zei: Zie daar Zebah en Tsalmuna, om wie u mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moe zijn, brood zouden geven?
16En hij nam de oudsten van die stad, en doornen van de woestijn, en distelen, en deed het de mensen van Sukkoth daardoor verstaan.
17En de toren van Pnuël wierp hij af, en doodde de mensen van de stad.
18Daarna zei hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die u te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Zoals u, zo waren zij, dezelfde, van gedaante als koningszonen.
19Toen zei hij: Het waren mijn broers, zonen van mijn moeder; zo werkelijk als JAHWEH leeft, zo u hen had laten leven, ik zou u niet doden!
20En hij zei tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, omdat hij nog een jongeling was.
21Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta u op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen van hun kamelen waren.
22Toen zeiden de mannen van Israël tot Gideon: Heers over ons, zo u als uw zoon en de zoon van uw zoon, omdat u ons van de hand van de Midianieten verlost hebt.
23Maar Gideon zei tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; JAHWEH zal over u heersen.
24Verder zei Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geef mij maar ieder een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, omdat zij Ismaëlieten waren.
25En zij zeiden: Wij zullen ze graag geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop ieder een voorhoofdsiersel van zijn roof.
26En het gewicht van de gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkels goud, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen kleren, die de koningen van de Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen van hun kamelen geweest waren.
27En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en geheel Israël hoereerde daar die na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.
28Zo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht van de Israëlieten, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.
29En Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging heen en woonde in zijn huis.
30Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heup voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen.
31En zijn bijvrouw, dat te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.
32En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goede ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, van de Abi-ezriet.
33En het gebeurde, als Gideon gestorven was, dat de Israëlieten zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God.
34En de Israëlieten dachten niet aan JAHWEH, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom.
35En zij deden geen goedertierenheid bij het huis van Jerubbaäl, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israël gedaan had.