Romeinen
Nieuwe Testament · 16 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
Deze brief is door de apostel Paulus uit Korinthe geschreven aan de gemeente van Christus te Rome, om hen te versterken in de leer van het Heilig Evangelie, tegen alle opkomende dwalingen, scheuringen en aanstoten. De brief bevat een korte en bondige verklaring van de voornaamste hoofdzaken van de christelijke godsdienst en van alle weldaden die wij in Christus en door Christus van God ontvangen. Daarom wordt deze brief terecht beschouwd als een sleutel tot het juiste verstaan van de hele Heilige Schrift, en in het bijzonder van het juiste verstaan van de vervulling van de beloften die aan het volk van Israël door Mozes en de profeten gedaan waren, tot zaligheid van zowel Joden als heidenen. De brief heeft drie delen (zoals ook vrijwel alle volgende brieven). Ten eerste een inleiding, tot vers 16. Ten tweede de behandeling van de leer, van vers 16 van het eerste hoofdstuk tot vers 14 van Hoofdstuk 15. Ten derde het slot van de brief, van daar tot het einde. De behandeling van de leer van de zaligheid heeft weer verschillende onderdelen. 1. Over de rechtvaardiging van de mens voor God, niet door de werken, maar door het geloof in Jezus Christus, handelt hij van vers 16 van het eerste hoofdstuk tot het einde van Hoofdstuk 5. 2. Over de heiliging of vernieuwing van de mens handelt hij van het begin van Hoofdstuk 6 tot het begin van Hoofdstuk 7, waarin hij de strijd beschrijft die zij die reeds vernieuwd zijn, nog tegen het vlees voeren; zoals hij in Hoofdstuk 8 de overwinning beschrijft die de vernieuwden door de Geest hebben over het vlees, en de troost en zekerheid van hun zaligheid die zij hieruit putten, zelfs te midden van alle lijden en vervolging. 3. Over de eeuwige verkiezing van God, als oorsprong en bron van al deze weldaden, handelt hij in Hoofdstuk 9 tot vers 24. 4. En vandaar verder over de krachtige roeping door God naar deze verkiezing, zowel van heidenen als van Joden, tot het einde van Hoofdstuk 11; bij welke gelegenheid hij ook tussendoor over de verwerping handelt. In de volgende hoofdstukken 12, 13, 14 en 15 handelt hij over de plichten van de liefde en de dankbaarheid die wij God voor deze weldaden verschuldigd zijn: zowel ten aanzien van de gehoorzaamheid aan de geboden van God in het algemeen, in de Hoofdstukken 12 en 13, als ten aanzien van het juiste gebruik van middelmatige zaken en het verdragen van hen die in de kennis van de christelijke vrijheid nog zwak zijn, in Hoofdstuk 14 en in de eerste dertien verzen van Hoofdstuk 15. Vandaar volgt het slot van deze brief, bestaande in een verontschuldiging van zijn vrijmoedigheid in het schrijven en vermanen, met een toezegging van zijn komst tot hen, en verschillende groeten aan enkele personen, en ten slotte met een dankzegging en gebed tot God voor hen. Zo houdt de apostel bij het behandelen van de leer dezelfde orde aan die in de catechismus van de gereformeerde kerken wordt gevolgd.