Romeinen 1
Lees Romeinen 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De inleiding van deze zendbrief, waarin verklaard wordt wie de schrijver is, naamlijk Paulus, die zijn ambt, roeping en leer over de persoon van Christus kort aanwijst. 6 De personen aan wie hij schrijft, met een lof over hun geloof. 9 De genegenheid die hij heeft om tot hen te komen, om hun evenals anderen het Evangelie te prediken, hen te versterken en door hen versterkt te worden. 16 Daarna stelt hij de ware leer voor de rechtvaardiging van de mens voor God door het geloof, en bewijst dat met een tekst uit de Heilige Schrift. 18 Hij weerlegt het verkeerde gevoelen van anderen en bewijst dat de heidenen door het licht van de natuur niet gerechtvaardigd kunnen worden voor God. 19 Omdat zij dat licht onderdrukken en de kennis die zij van God hebben, misbruiken tot afgoderij, 24 waarvoor zij in een verkeerd denken overgegeven zijn. 29 En vol zijn van allerlei gruwelen in hun leven, die hij met een lang register opsomt.
1Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God,
2(Dat Hij te voren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften).
3Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees;
4Die krachtig bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heere:
5(Door Welke wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen, voor Zijn Naam;
6Onder welke u ook bent, geroepenen van Jezus Christus!)
7Allen, die te Rome bent, geliefden van God, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus.
8Als eerste dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de hele wereld.
9Want God is mijn Getuige, Die ik dien in mijn geest, in het Evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten aan u denk;
10Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven werd, door de wil van God, om tot u te komen.
11Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen, met als doel dat u versterkt zou worden;
12Dat is, om mee vertroost te worden onder u, door het onderlinge geloof, zowel het mijne als het uwe.
13Maar ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders, dat ik dikwijls voorgenomen heb tot u te komen (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de andere heidenen.
14Zowel Grieken als Barbaren, zowel wijzen als onwijzen ben ik een schuldenaar.
15Zo wat in mij is, dat is bereidwillig, om u ook, die te Rome bent, het Evangelie te verkondigen.
16Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een ieder die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.
17Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelfde geopenbaard uit geloof tot geloof; zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
18Want de toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid van de mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
19Omdat wat van God bekend is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.
20Want Zijn onzichtbare dingen worden, van de schepping van de wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, zowel Zijn eeuwige kracht als Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.
21Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;
22Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;
23En hebben de heerlijkheid van de onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis van een beeld van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
24Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren;
25Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is in de eeuwigheid, amen.
26Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature;
27En eveneens ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik van de vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkaar, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelf ontvangende.
28En zoals het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet passen;
29Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van afgunst, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;
30Oorblazers, roddelaars, vijanden Gods, smaders, hoogmoedigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, de ouderen ongehoorzaam;
31Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;
32Zij, daar zij het recht van God weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, van de dood waard zijn) niet alleen dezelfde doen, maar ook mee een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.