Romeinen 10
Lees Romeinen 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Na een betuiging van zijn genegenheid voor de Joden handelt de apostel uitvoeriger over de directe oorzaak van hun weerspannigheid tegen Christus. 5 Stelt daarna een onderscheid, zelfs met de woorden van Mozes, tussen de gerechtigheid van de Wet, waar de Joden zich aan hielden, en de gerechtigheid van het geloof, dat zij verwierpen, en beschrijft ze beide met hun eigenschappen. 12 Verklaart verder dat God door de prediking van het Evangelie nu in de hele wereld zowel Joden als Grieken roept tot het geloof in Christus. 16 Maar dat het merendeel van de Joden deze roeping ongehoorzaam was, en dat de heidenen daarentegen wel gehoorzaamden. 19 Wat hij bewijst als door de profeten voorzegd te zijn.
1Broeders, de toegenegenheid van mijn hart, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid.
2Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.
3Want zo zij de rechtvaardigheid van God niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij van de rechtvaardigheid van God niet onderworpen.
4Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder die gelooft.
5Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven.
6Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt zo: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Hetzelfde is Christus van boven afbrengen.
7Of, wie zal in de afgrond nederdalen? Hetzelfde is Christus uit de doden opbrengen.
8Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken.
9Namelijk, als u met uw mond zult belijden de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult u zalig worden.
10Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid.
11Want de Schrift zegt: Een ieder die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.
12Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.
13Want een ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden.
14Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welke zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?
15En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Zoals geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten van degenen, die vrede verkondigen, van degenen, die het goede verkondigen!
16Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd?
17Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God,
18Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de hele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld.
19Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal u tot jaloërsheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.
20En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden degenen, die naar Mij niet vraagden.
21Maar tegen Israël zegt Hij: De hele dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.