Romeinen 11
Lees Romeinen 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Nadat de apostel gesproken heeft over de verwerping van de Joden en de roeping van de heidenen, leert hij verder dat deze verwerping niet algemeen is over alle Joden, hetgeen hij bewijst met zijn eigen voorbeeld, 2 alsook uit de onveranderlijkheid van Gods verkiezing en met het voorbeeld van de tijd van Elia. 5 Doch dat zij die uit hen behouden worden, niet uit hun werken, maar uit genade behouden worden, 7 en dat de anderen door hun hardnekkigheid verloren gaan, 8 hetgeen hij uit de Schrift bewijst. 11 Daarna vermaant hij de heidenen dat zij zich niet moeten verheffen tegen de Joden, aangezien hun verwerping een aanleiding is geweest tot de roeping van de heidenen, waardoor de Joden ook zullen worden opgewekt om naar hun voorbeeld mede te geloven, omdat zij tot het verbond behoren, 17 en de heidenen, voordat zij geroepen werden, daarvan vreemd waren, maar uit enkel genade zijn geroepen. 19 Daarom dat de heidenen wel moeten toezien dat ook zij om hun ongehoorzaamheid niet verworpen worden. 25 Met dat doel openbaart hij een verborgenheid, dat na de bekering van de heidenen ook de Joden bekeerd zullen worden, 26 hetgeen hij bevestigt uit de Schrift, 28 en omdat God hen om der vaderen wil nog liefheeft, 30 zodat dezelfde God Die de heidenen genade gedaan heeft, dat ook aan de Joden zal willen doen. 33 Ten slotte besluit hij met een verwondering over de grote wijsheid van God in het besturen van de zaligheid van de mensen, 36 waarvan het begin, de voortgang en het einde Hem alleen worden toegeschreven.
1Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin.
2God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij te voren gekend heeft. Of weet u niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende:
3Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.
4Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelf nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
5Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing van de genade.
6En als het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer; en als het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer.
7Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.
8(Zoals geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidige dag.
9En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.
10Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug alle tijd.
11Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Volstrekt niet; maar door hun val is de zaligheid de heidenen geworden, om hen tot jaloërsheid te verwekken.
12En als hun val de rijkdom is van de wereld, en hun vermindering de rijkdom van de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!
13Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik de heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;
14Of ik enigszins mijn vlees tot jaloërsheid verwekken, en enige uit hen behouden mocht.
15Want als hun verwerping de verzoening is van de wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?
16En als de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en als de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.
17En zo enige van de takken afgebroken zijn, en u, een wilde olijfboom zijnde, in van die plaats bent ingeent, en van de wortel en van de vettigheid van de olijfboom mee deelachtig bent geworden,
18Zo roem niet tegen de takken; en als u daartegen roemt, u draagt de wortel niet, maar de wortel u.
19U zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeent worden.
20Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en u staat door het geloof. Bent niet hooggevoelende, maar vrees.
21Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare.
22Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u afgehouwen worden.
23Maar ook zij, als zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeent worden; want God is machtig daarom weer in te enten.
24Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in de goede olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geent worden?
25Want ik wil niet, broeders, dat u dit geheim onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn.
26En zo zal geheel Israël zalig worden; zoals geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
27En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.
28Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij geliefden, om de vaders wil;
29Want de genadegiften en de roeping van God zijn onberouwelijk.
30Want zoals ook u vroeger voor God ongehoorzaam geweest bent, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door deze ongehoorzaamheid;
31Zo zijn ook deze nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.
32Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.
33O diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
34Want wie heeft de zin van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?
35Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?
36Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in de eeuwigheid. Amen.