Romeinen 15
Lees Romeinen 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel vermaant verder de sterken dat zij zich voegen naar de zwakheid van hun broeders, 3 door het voorbeeld van Christus, Die niet Zichzelf heeft gezocht, maar ons voordeel, hetgeen hij bevestigt uit de Schriften van het Oude Testament, die ook tot onze troost geschreven zijn, 5 en dat zij met eendrachtige harten God en de Heere Christus dienen. 7 Hij verklaart uitvoeriger het voorbeeld van Christus, hoe Hij gediend heeft, zowel de Joden 9 als ook de heidenen, hetgeen hij ook uit diezelfde Schriften bewijst, 13 daarbij voegend een wens dat zij in alle christelijke deugden en kennis mogen toenemen. 14 Daarna begint hij deze zendbrief te besluiten, en verontschuldigt zijn vrijheid in het schrijven 17 en verhaalt hoe krachtig God zijn dienst gezegend heeft en hoe trouw hij die bediend heeft. 22 Hij belooft dat hij naar Rome zal komen op zijn reis naar Spanje 25 en geeft te kennen dat hij eerst naar Jeruzalem moest reizen om daar de aalmoezen van de gemeenten van Macedonië en Achaje te brengen. 30 Hij verzoekt hun dat zij voor hem en zijn dienst willen bidden 33 en wenst hun alles goeds van God.
1Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden van de onsterken te dragen, en niet onszelf te behagen.
2Dat dan ieder van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting.
3Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar zoals geschreven is: De smaad van degenen, die U smaden, is op Mij gevallen.
4Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze onderwijzing te voren geschreven, opdat wij, door volharding en troost van de Schriften, hoop hebben zouden.
5Maar de God van de volharding en van de troost geve u, dat u eensgezind bent onder elkaar naar Christus Jezus;
6Opdat u eensgezind, met één mond, mag verheerlijken de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.
7Daarom neemt elkaar aan, zoals ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid van God.
8En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is van de besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen van de vaders;
9En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; zoals geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.
10En opnieuw zegt Hij: Wees vrolijk, u heidenen met Zijn volk!
11En opnieuw: Loof de Heere, al u heidenen, en prijst Hem, al u volken!
12En opnieuw zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.
13De God nu van de hoop vervulle u met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig mag zijn in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest.
14Maar, mijn broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat u ook zelf vol bent van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkaar te vermanen.
15Maar ik heb u deels te stoutelijker geschreven, broeders, u als opnieuw dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is;
16Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offergave van de heidenen aangenaam wordt, geheiligd door de Heilige Geest.
17Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan.
18Want ik zou niet durven iets zeggen, dat Christus door mij niet gewerkt heeft, tot gehoorzaamheid van de heidenen, met woorden en werken;
19Door kracht van tekenen en wonderen, en door de kracht van de Geest van God, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb.
20En zo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op van een ander fundament zou bouwen;
21Maar zoals geschreven is: Die van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en die het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.
22Waarom ik ook dikwijls verhinderd geweest ben tot u te komen.
23Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen,
24Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u daarheen geleid te worden, als ik eerst van uw aanwezigheid deels verzadigd zal zijn.
25Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.
26Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht een enige handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn.
27Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want als de heidenen van hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen.
28Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door uw stad naar Spanje afkomen.
29En ik weet, dat ik, tot u komende, met volle zegen van het Evangelie van Christus komen zal.
30En ik bid u, broeders, door onze Heere Jezus Christus, en door de liefde van de Geest, dat u met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;
31Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, die ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij de heiligen;
32Opdat ik met blijdschap, door de wil van God, tot u mag komen, en met u verfrist worden.
33En de God van de vrede zij met u allen. Amen.