BijbelRomeinen

Romeinen 2

Lees Romeinen 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Paulus weerlegt een tegenwerping van hen die meenden daardoor rechtvaardig te zijn, omdat zij zulke gruwelijke zonden in het openbaar niet bedreven maar ze in anderen veroordeelden. 3 En die meenden dat zij in de genade van God stonden, omdat hij hun in deze wereld goed deed en zegende. 5 Verklaart daarentegen dat God zonder aanzien des perzons alle mensen zal oordelen, niet naar hun uiterlijk gelaat of stand, maar naar hun werken, zowel innerlijke als uiterlijke. 12 En dat zowel de Joden die de Wet hadden, als de heidenen die de geschreven Wet niet hadden. 17 Hij ontneemt de Joden de gedachte dat zij door de kennis van de Wet en het onderrichten van anderen daarin gerechtvaardigd zouden worden. 25 Of door de besnijdenis en andere uiterlijke voordelen die de Joden hadden boven de heidenen. 28 En leert welke de ware Joden en de ware besnijdenis zijn.

1Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u bent, die anderen oordeelt; want waarin u een ander oordeelt, veroordeelt u uzelf; want u, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.

2En wij weten, dat het oordeel van God naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen.

3En denkt u dit, o mens, die oordeelt degenen, die zulke dingen doen, en dezelfde doet, dat u het oordeel van God zult ontvluchten?

4Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en geduld, niet wetende, dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt?

5Maar naar uw hardheid, en onbekeerlijk hart, verzamelt u uzelf toorn als een schat, in de dag van de toorn, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God.

6Die een ieder vergelden zal naar zijn werken;

7Degenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven;

8Maar degenen, die twistgierig zijn, en die van de waarheid ongehoorzaam, maar van de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal toorn en toorn vergolden worden;

9Verdrukking en benauwdheid over alle ziel van de mensen, die het kwade werkt, eerst van de Jood, en ook van de Griek;

10Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een ieder die het goede werkt, eerst de Jood, en ook de Griek.

11Want er is geen aanneming van de persoon bij God.

12Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;

13(Want de hoorders van de wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden;

14Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die van de wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzelf een wet;

15Als die betonen het werk van de wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkaar hen beschuldigende, of ook ontschuldigende).

16In de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.

17Zie, u wordt een Jood genoemd en rust op de wet; en roemt op God,

18En u weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet;

19En u betrouwt uzelf te zijn een leidsman van de blinden, een licht van degenen, die in duisternis zijn;

20Een onderrichter van de onwijzen, en een leermeester van de onwetenden, hebbende de gedaante van de kennis en van de waarheid in de wet.

21Die dan een ander leert, leert u uzelf niet? Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt u?

22Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet u overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft u het heilige?

23Die op de wet roemt, onteert u God door de overtreding van de wet?

24Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, zoals geschreven is.

25Want de besnijdenis is wel nut, als u de wet doet; maar als u een overtreder van de wet bent, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden.

26Als dan de voorhuid de rechten van de wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden?

27En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oordelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder van de wet bent?

28Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;

29Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van de harten, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.