BijbelRomeinen

Romeinen 3

Lees Romeinen 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De apostel wijst aan welk voordeel de Joden hebben. 3 En beantwoordt enige lasterlijke tegenwerpingen die iemand uit zijn voorgaande leer kon trekken. 9 En bewijst met duidelijke getuigenisn uit het Oude Testament dat hij terecht gezegd heeft dat ook de Joden grote overtreders zijn van Gods Wet. 20 Besluit daarom dat uit de werken van de Wet niemand voor God gerechtvaardigd kan worden. 21 Maar dat God een andere wijze van rechtvaardiging in zijn Woord geopenbaard heeft. 22 Namelijk de rechtvaardiging uit genade, door het geloof in Jezus Christus, die door zijn bloed onze verzoening met God geworden is. 27 Waardoor de roem wordt uitgesloten. 29 En dat niet alleen voor de Joden, maar ook voor de Grieken of heidenen.

1Welk is dan het voordeel van de Jood? Of wat is het nut van de besnijdenis?

2Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden van God zijn toebetrouwd.

3Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen?

4Volstrekt niet. Maar God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; zoals geschreven is: Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U oordeelt.

5Als nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar de mens.)

6Volstrekt niet, anders hoe zal God de wereld oordelen?

7Want als de waarheid van God door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld?

8En zeggen wij niet liever (zoals wij gelasterd worden, en zoals sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Van wie verdoemenis rechtvaardig is.

9Wat dan? Zijn wij uitmuntender? Geheel niet; want wij hebben te voren beschuldigd zowel Joden als Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn;

10Zoals geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één;

11Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.

12Allen zijn zij afgeweken, samen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe.

13Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.

14Van wie de mond vol is van vervloeking en bitterheid;

15Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;

16Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;

17En de weg van de vrede hebben zij niet gekend.

18Er is geen vrees voor God voor hun ogen.

19Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt wordt en de hele wereld voor God verdoemelijk zij.

20Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde.

21Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:

22Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.

23Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid van God;

24En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;

25Die God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren gebeurd zijn onder de verdraagzaamheid Gods;

26Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in deze tegenwoordige tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende degene, die uit het geloof van Jezus is.

27Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof.

28Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet.

29Is God een God van de Joden alleen? en is Hij het niet ook van de heidenen? Ja, ook van de heidenen;

30Aangezien Hij één enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof.

31Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Volstrekt niet; maar wij bevestigen de wet.