Romeinen 4
Lees Romeinen 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel gaat verder en bewijst dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, met het voorbeeld van Abraham. 6 En met het voorbeeld en getuigenis van David. 9 En verklaart uit de omstandigheid van de tijd waarop Abraham het teken van de besnijdenis ontvangen heeft, dat niet alleen de Joden maar ook de heidenen de gerechtigheid toegerekend wordt door het geloof. 13 Hij bewijst ook uit de oorsprong en vastheid van de beloften aan Abraham gedaan, dat hij erfgenaam zou zijn van de wereld. 17 Beschrijft daarna de kracht en eigenschappen van het geloof van Abraham. 22 En betuigt dat hem door dit geloof de gerechtigheid is toegerekend. 23 En dat deze ook naar zijn voorbeeld toegerekend zal worden aan hen die in God door Christus zullen geloven.
1Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?
2Want als Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God.
3Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.
4Nu degene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.
5Maar degene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
6Zoals ook David de mens zalig spreekt, die God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;
7Zeggende: Zalig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven zijn, en van wie de zonden bedekt zijn;
8Zalig is de man, aan wie de Heere de zonden niet toerekent.
9Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.
10Hoe is het hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was, of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.
11En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend wordt;
12En een vader van de besnijdenis, degenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat in de voorhuid was.
13Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad gebeurd, namelijk, dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid van het geloof.
14Want als degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.
15Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.
16Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al de zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen;
17(Zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;
18Die tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens wat gezegd was: Zo zal uw zaad wezen.
19En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij ongeveer honderd jaar oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.
20En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer;
21En ten volle verzekerd zijnde, dat wat beloofd was, Hij ook machtig was te doen.
22Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend.
23Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is;
24Maar ook om onzentwil, die het zal toegerekend worden, namelijk degenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft;
25Die overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.