Romeinen 6
Lees Romeinen 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Vanaf hier leert de apostel dat zij die door het geloof in Christus gerechtvaardigd zijn, ook door de kracht van Christus' dood en opstanding vernieuwd en geheiligd worden, en bewijst dat door de betekenis van onze Doop. 5 Alzok uit onze vereniging met Christus, waardoor wij met hem aan de zonde gestorven en tot een nieuw leven opgewekt zijn. 9 Betuigt verder dat zoals Christus maar eenmaal gestorven is en voortaan altijd leeft in heerlijkheid, wij ook, als wij geloven, aan de zonde sterven om voortaan heilig te kunnen leven. 12 Trekt hieruit een algemene vermaning dat de zonde dan niet over ons moet heersen, maar wij over de zonde. 15 En verklaart dat de genade van God en de vrijheid waarin wij staan ons ook daartoe moet bewegen. 21 Versterkt ten slotte deze vermaning door de overdenking van de vrucht van de zonde, welke de dood is, en van het ein de van de heiliging, dat is het eeuwige leven, ons uit genade door Christus gegeven.
1Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?
2Volstrekt niet. Wij, die de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog daarin leven?
3Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?
4Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven wandelen zouden.
5Want als wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking van Zijn dood, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking van Zijn opstanding;
6Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde te niet gedaan wordt, opdat wij niet meer de zonde dienen.
7Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.
8Als wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;
9Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.
10Want dat Hij gestorven is, dat is Hij van de zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij voor God.
11Zo ook u, reken erop dat u wel van de zonde dood bent, maar voor God levend bent in Christus Jezus, onze Heere.
12Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van het lichaam.
13En stelt uw leden niet voor de zonde tot wapens van de ongerechtigheid; maar stelt uzelf voor God, als uit de doden levend geworden zijnde, en stelt uw leden voor God tot wapens van de gerechtigheid.
14Want de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder de wet, maar onder de genade.
15Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Volstrekt niet.
16Weet u niet, dat wie u uzelf stelt tot dienaren ter gehoorzaamheid, u dienaren bent van degene, die u gehoorzaamt, of van de zonde tot de dood, of van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
17Maar Gode zij dank, dat u wel dienaren van de zonde was, maar dat u nu van harte gehoorzaam geworden bent aan het voorbeeld van de leer, tot dat u overgegeven bent;
18En vrijgemaakt zijnde van de zonde, bent gemaakt dienaren van de gerechtigheid.
19Ik spreek op menselijke wijze, vanwege de zwakheid van uw vlees; want zoals u uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn van de onreinheid en van de ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, zo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn van de gerechtigheid, tot heiligmaking.
20Want toen u dienaren was van de zonde, zo was u vrij van de gerechtigheid.
21Wat vrucht dan had u toen van die dingen, waarover u zich nu schaamt? Want het einde daarvan is de dood.
22Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en voor God dienstbaar gemaakt zijnde, hebt u uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.
23Want de soldij van de zonde is de dood, maar de genadegift van God is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere.