Romeinen 8
Lees Romeinen 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Uit het tot nu toe verklaarde trekt de apostel de vertroosting dat er geen verdoemenis meer is voor de gelovigen. 4 En vermaant hen met verschillende beweegredenen dat zij niet naar het vlees maar naar de Geest moeten wandelen. 17 Verklaart verder dat het lot van de gelovigen in dit leven is met Christus te lijden, maar sterkt hen daartegen met de grootheid van de heerlijkheid die daarna zal volgen. 19 En stelt hun het voorbeeld voor van de hele schepping, die daarnaar een natuurlijk verlangen heeft. 23 Troost hen verder door de hoop die zij zelf daarvan hebben. 26 En door de hulp van de Heilige Geest in het gebed. 28 Alzok door de zekerheid die zij, ondanks al het lijden, vasthouden van hun verkiezing, roeping, rechtvaardiging en verheerlijking. 31 Besluit deze troost met een roem in Christus tegen alles wat hen zou kunnen beschuldigen of hin deren. 37 En verzekert hen dat zij door Christus in alles zullen overwinnen.
1Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest.
2Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood.
3Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van de zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.
4Opdat het recht van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest.
5Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat van het vlees is; maar die naar de geest zijn, bedenken, dat van de geest is.
6Want het bedenken van het vlees is de dood; maar het bedenken van de geest is het leven en vrede;
7Daarom dat het bedenken van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich aan de wet van God niet; want het kan ook niet.
8En die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen.
9Maar u bent niet in het vlees, maar in de geest, zo anders de Geest van God in u woont. Maar zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
10En als Christus in u is, zo is wel het lichaam dood om de zonden wil; maar de geest is leven om de gerechtigheid wil.
11En als de Geest van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont.
12Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.
13Want als u naar het vlees leeft, zo zult u sterven; maar als u door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zo zult u leven.
14Want zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God.
15Want u hebt niet ontvangen de geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vrees; maar u hebt ontvangen de geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!
16Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.
17En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.
18Want ik houd het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.
19Want het schepsel, als met opgestoken hoofd, verwacht de openbaring van de kinderen van God.
20Want het schepsel is van de zinloosheid onderworpen, niet gewillig, maar om wie wil, die het van de zinloosheid onderworpen heeft;
21Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid van de verderfenis, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.
22Want wij weten, dat het hele schepsel samen zucht, en samen als in barensnood is tot nu toe.
23En niet alleen dit, maar ook wij zelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam.
24Want wij zijn in hoop zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?
25Maar als wij hopen, wat wij niet zien, zo verwachten wij het met volharding.
26En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mee te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, zoals het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.
27En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening van de Geest zij, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt.
28En wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
29Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren bestemd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders.
30En die Hij te voren bestemd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt.
31Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
32Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?
33Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt.
34Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan de rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt.
35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard?
36(Zoals geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.)
37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.
38Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,
39Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heere.