BijbelRomeinen

Romeinen 9

Lees Romeinen 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De apostel betuigt zijn uitmuntende verdriet over de hardnekkigheid van de Joden tegen Christus en zijn voorgaande leer. 4 En verhaalt de voordelen die God hun in het Oude Testament boven andere volken gegeven heeft. 6 Bewijst dat Gods beloften toch niet krachteloos zijn, aangezien die niet de kin deren van het vlees maar de kin deren van de belofte, dat is de uitverkorenen, eigenlijk gedaan zijn; en dat eerst met het voorbeeld van Ismaël en Izak. 10 Daarna met het voorbeeld van Ezau en Jakob. 14 Verklaart dat God in het verkiezen van de ene en verwerpen van de andere altijd rechtvaardig is, door het voorbeeld van Mozes en Farao. 19 Beantwoordt enige tegenwerpingen van het vlees, en toont dat God de macht heeft om zo te handelen, met de gelijkenis van een pottenbakker. 24 Hij verklaart verder dat deze uitverkorenen ook daadwerkelijk door God geroepen worden, zowel uit de Joden als vooral uit de heidenen. 25 Wat hij bewijst met verschillende getuigenisn van de profeten. 30 Besluit ten slotte met een verklaring van de directe oorzaak waarom de heidenen de gerechtigheid door de Messias verkregen hebben en het merendeel van de Joden daarvan vervreemd is.

1Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest),

2Dat het mij een grote verdriet, en mijn hart een voortdurende smart is.

3Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn familie zijn naar het vlees;

4Die Israëlieten zijn, van wie is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen;

5Van wie de vaders zijn, en uit wie Christus is, zoveel het vlees betreft, Die is God boven allen te prijzen in de eeuwigheid. Amen.

6Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God was uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.

7Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden.

8Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend.

9Want dit is het woord van de beloftenis: Ongeveer deze tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben.

10En niet alleen deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit één zwanger was, namelijk Izaak, onze vader.

11Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit de Roepende;

12Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal de mindere dienen.

13Zoals geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.

14Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet.

15Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, wie Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, die Ik barmhartig ben.

16Zo is het dan niet degene, die wil, noch degene, die loopt, maar van God die zich ontfermt.

17Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd wordt op de hele aarde.

18Zo ontfermt Hij Zich dan, wie Hij wil, en verhardt, die Hij wil.

19U zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil weerstaan?

20Maar toch, o mens, wie bent u, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot degenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?

21Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp te maken, het ene voorwerp ter ere, en het andere ter onere?

22En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele geduld verdragen heeft de voorwerpen van de toorn, tot het verderf toebereid;

23En opdat Hij zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de voorwerpen van de barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?

24Die Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.

25Zoals Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet geliefd was, Mijn geliefde.

26En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: U bent Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.

27En Jesaja roept over Israël: Al was het getal van de Israëlieten zoals het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.

28Want Hij voltooit een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.

29En zoals Jesaja te voren gezegd heeft: Als de Heere Zebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest.

30Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is.

31Maar Israël, die de wet van de rechtvaardigheid zocht, is tot de wet van de rechtvaardigheid niet gekomen.

32Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken van de wet, want zij hebben zich gestoten aan de steen van de aanstoot;

33Zoals geschreven is: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots van de aanstoot; en een ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.