Ruth 1
Lees Ruth 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Elimelech vertrekt, vanwege de duurte, van Bethlehem naar het land der Moabieten, en sterft daar, vers 1, enz. Zijn twee zonen nemen Moabitische vrouwen, en sterven ook, 4. Naomi, weduwe van Elimelech, die hoort dat de duurte ophield, begeeft zich met de twee schoondochters, Orpa en Ruth, op reis naar Bethlehem, 6. Naomi vermaant beide schoondochters terug te keren, 8. Orpa laat zich gezeggen, en trekt terug naar haar land, maar Ruth wil Naomi geenszins verlaten, 14. Zo komen zij beiden te Bethlehem, 19.
1In de dagen, als de richters richtten, zo gebeurde het, dat er honger in het land was; daarom trok een man van Bethlehem-juda, om als vreemdeling te verkeren in de velden van Moab, hij, en zijn huisvrouw, en zijn twee zonen.
2De naam nu van deze man was Elimelech, en de naam van zijn huisvrouw Naomi, en de naam van zijn twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathers, van Bethlehem-juda; en zij kwamen in de velden van Moab, en bleven daar.
3En Elimelech, de man van Naomi, stierf; maar zij werd overgelaten met haar twee zonen.
4Die namen zich Moabietische vrouwen; de naam van de ene was Orpa, en de naam van de andere Ruth; en zij bleven daar ongeveer tien jaar.
5En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; zo werd deze vrouw overgelaten na haar twee zonen en na haar man.
6Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, en keerde weer uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat JAHWEH Zijn volk bezocht had, gevende hun brood.
7Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op de weg, om weer te keren naar het land van Juda,
8Zo zei Naomi tot haar twee schoondochters: Ga heen, keert weer, ieder tot het huis van haar moeder; JAHWEH doe bij u goedertierenheid, zoals u gedaan hebt bij de doden, en bij mij.
9JAHWEH geve u, dat u ruste vindt, ieder in het huis van haar man! En als zij haar kuste, hieven zij haar stem op en huilden;
10En zij zeiden tot haar: Wij zullen zeker met u terugkeren tot uw volk.
11Maar Naomi zei: Keer weer, mijn dochters! Waarom zou u met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn?
12Keer weer, mijn dochters! Ga heen; want ik ben te oud om een man te hebben. Wanneer ik al zei: Ik heb hoop, of ik ook in deze nacht een man had, ja, ook zonen baarde;
13Zou u daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zou u daarnaar opgehouden worden, om geen man te nemen? Niet, mijn dochters! Want het is mij veel bitterder dan u; maar de hand van JAHWEH is tegen mij uitgegaan.
14Toen hieven zij haar stem op, en huilden opnieuw; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.
15Daarom zei zij: Zie, uw schoonzus is teruggekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer u ook weer, uw schoonzus na.
16Maar Ruth zei: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weer te keren; want waar u zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar u zult overnachten, zal ik overnachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God.
17Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden; zo doe mij JAHWEH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!
18Als zij nu zag, dat zij vast voorgenomen had met haar te gaan, zo hield zij op tot haar te spreken.
19Zo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het gebeurde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de hele stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naomi?
20Maar zij zei tot hen: Noem mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.
21Vol trok ik weg, maar leeg heeft mij JAHWEH doen terugkeren; waarom zou u mij Naomi noemen, daar JAHWEH tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft?
22Zo kwam Naomi weer, en Ruth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden van Moab terugkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van de gersteoogst.